ECLI:NL:RBDHA:2026:9313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming bij afwijzing asielaanvraag
Eiser heeft op 6 januari 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister op 4 maart 2026 is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 16 april 2026 was eiser en zijn gemachtigde afwezig zonder bericht, terwijl de gemachtigde van de minister wel aanwezig was.
De rechtbank kreeg van de minister bericht dat eiser op 29 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij hij contact blijft onderhouden of er andere concrete aanwijzingen zijn.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij geen contact onderhoudt en niet heeft laten blijken dat hij nog bescherming wenst. De stelling van de gemachtigde dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de verblijfplaats verandert hier niets aan. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.