Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.45991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag van 26 augustus 2025 af te wijzen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep samen met dat van de opa van eiser op 31 maart 2026 behandeld.

De minister heeft de rechtbank geïnformeerd dat eiser op 13 november 2025 door het COA is geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken (mob). De gemachtigde van eiser verklaarde ter zitting dat zij geen contact meer heeft met eiser, die naar Frankrijk is vertrokken.

De rechtbank toetst of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij vertrek met onbekende bestemming het beroep alleen ontvankelijk blijft als er recent contact is over de procedure. Nu dat niet het geval is, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op een beoordeling van zijn beroep.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt het niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier Y. van Wijk op 16 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan contact.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45991

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag [1] . De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026, samen met het beroep van [naam 2] (de opa van eiser) [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesbelang
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De minister heeft op 20 november 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser op 13 november 2025 door het COa [3] is geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken (mob). In reactie op de mob-melding heeft de gemachtigde van eiser ter zitting verklaard dat eiser naar Frankrijk is vertrokken en dat zij geen contact meer met hem heeft.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [4]
3.2.
Op basis van de mob-melding en de door de gemachtigde van eiser op de zitting gegeven informatie dat zij geen contact meer heeft met eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op een beoordeling van de rechtbank van zijn beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal zijn beroep daarom niet ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het beroep dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaaknummer NL25.45988.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.