Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.48569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking asielbesluit wegens gewijzigde omstandigheden Iran

Eiseres diende op 27 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 10 september 2025 af. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. Op 26 maart 2026 trok de minister het bestreden besluit in vanwege nieuwe omstandigheden, namelijk het afgekondigde besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Iran.

Eiseres vorderde vervolgens dat de minister de proceskosten zou vergoeden, omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden was overschreden en zij in een schrijnende psychische situatie verkeerde. De rechtbank behandelde het beroep op 2 april 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen belang meer had bij de beoordeling van het ingetrokken besluit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Tevens overwoog de rechtbank dat intrekking vanwege gewijzigde omstandigheden geen tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb is, zodat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 27 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Met het besluit van 26 maart 2026 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Ook heeft de minister daarbij het standpunt ingenomen dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten in beroep te vergoeden.
1.3.
Op 26 maart 2026 heeft eiseres aangegeven dat hij van mening is dat de minister de proceskosten dient te vergoeden. Op 1 april 2026 heeft eiseres de rechtbank verzocht om uitspraak te doen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het bestreden besluit
2. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van het uitblijven van een beslissing op haar asielaanvraag en het feit dat zij al lang moet wachten in een schrijnende psychische situatie is beland. Hierdoor is eiseres in haar belangen geschaad. Eiseres is van mening dat de minister de asielaanvraag dient in te willigen en de proceskosten dient te vergoeden, in het bijzonder nu de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken. Niet is gebleken dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Eiseres heeft daarom geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk. De gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen de intrekking van het besluit zullen dan ook niet worden besproken, nu de minister opnieuw dient te beslissen op de asielaanvraag van eiseres.
De proceskosten
4. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb - in de proceskosten veroordelen.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak [1] van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
4.2.
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister medegedeeld dat hij het besluit van 10 september 2025 intrekt, omdat in beroep is gebleken van nieuwe omstandigheden. Die veranderde omstandigheid is gelegen in het onlangs afgekondigde besluit- en
vertrekmoratorium ten aanzien van Iran [2] .
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in dit geval geen sprake is. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het bestreden besluit is ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, namelijk de ontwikkelingen en huidige omstandigheden in Iran.
4.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hogerberoepschrift sturen naar Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487
2.Zie hiervoor de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 19 maart 2026,