ECLI:NL:RBDHA:2026:9292
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking besluit asielaanvraag wegens gewijzigde omstandigheden Iran
Eiser diende op 27 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 10 september 2025 af. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Op 26 maart 2026 trok de minister het bestreden besluit in vanwege nieuwe omstandigheden, namelijk een besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Iran.
Eiser vorderde vervolgens dat de minister de proceskosten zou vergoeden, omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden was overschreden en hij in een schrijnende psychische situatie zou verkeren. De rechtbank behandelde het beroep op 2 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij beoordeling van het bestreden besluit nu dit was ingetrokken. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast overwoog de rechtbank dat intrekking vanwege gewijzigde omstandigheden geen tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb is, zodat geen proceskostenveroordeling kan worden opgelegd.
Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees het beroep af en verklaarde het niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.