ECLI:NL:RBDHA:2026:923

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
681959 / HA ZA 25-253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in incident over vrijwaringsincident en verstrekking van gegevens in civiele procedure

In deze zaak, die zich afspeelt voor de Rechtbank Den Haag, is een vonnis in incident uitgesproken op 21 januari 2026. De eiseres, NIBC BANK N.V., heeft een vrijwaringsincident aanhangig gemaakt tegen de gedaagden, aangeduid als [partij B] c.s., in het kader van een geschil over een kredietfaciliteit. NIBC stelt dat [partij B] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld in zijn rol als adviseur en financieel directeur van [bedrijfsnaam 1] N.V., wat heeft geleid tot schade voor NIBC. De rechtbank heeft de gedaagden toegestaan om bepaalde derden in vrijwaring op te roepen en heeft NIBC bevolen om afschriften van specifieke documenten te verstrekken, waaronder maandelijkse rapportages van [bedrijfsnaam 1]. De rechtbank heeft echter ook bepaalde vorderingen van [partij B] c.s. afgewezen, met name die welke betrekking hebben op interne documentatie van NIBC, omdat gewichtige redenen zich daartegen verzetten. De rechtbank heeft de proceskosten van NIBC in het incident grotendeels toegewezen aan [partij B] c.s. en een geheimhoudingsplicht opgelegd voor de verstrekte documenten. De zaak is complex en betreft verschillende juridische aspecten van het burgerlijk procesrecht, waaronder de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/681959 / HA ZA 25-253
Vonnis in incident van 21 januari 2026
in de zaak van
NIBC BANK N.V., te Den Haag,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: NIBC,
advocaat: mr. R.L. Ubels,
tegen

1.[partij B sub 1] , te Zevenhoven,2. [partij B sub 2] B.V., te Zevenhoven,

gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [partij B] c.s.,
advocaat: mr. P.P.M. van Kippersluis en mr. J.H. van der Weide.

1.Processtukken

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 24 februari 2025, met producties 1 tot en met 95;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en tot het verstrekken van afschrift van gegevens, met productie 1;
  • de conclusie van antwoord in incident, met producties 96 tot en met 98.
1.1.
De mondelinge behandeling in het incident heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.

2.Het geschil

in de hoofdzaak
2.1.
NIBC stelt – kort gezegd en voor zover in dit incident relevant – dat [partij B] c.s. in zijn hoedanigheid als zowel zelfstandig adviseur als financieel directeur van [bedrijfsnaam 1] N.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) onrechtmatig jegens NIBC heeft gehandeld. NIBC heeft een kredietfaciliteit van eerst € 20 miljoen en na verhoging van € 40 miljoen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) verstrekt, door partijen aangeduid als de
Senior Loan. Met dit krediet kocht [bedrijfsnaam 2] vorderingen van factoringklanten. Daaraan waren verschillende voorwaarden verbonden, zoals dat de vorderingen
eligiblemoesten zijn. Van een zogenoemde eligible vordering was – kort gezegd – sprake indien: de vordering onbetwist was, niet hoger dan € 500.000,00 was, niet langer dan 90 dagen onbetaald was, voor tenminste 90% kredietverzekerd was en overdraagbaar of verpandbaar was.
2.2.
NIBC verkreeg inzichten over het gebruik van het verleende krediet door maandelijkse reportages van [bedrijfsnaam 1] .
2.3.
NIBC stelt dat [bedrijfsnaam 1] /de [bedrijfsnaam 1] -groep zich niet aan de voorwaarden van de kredietverlening heeft gehouden. Onder meer zouden vorderingen zijn gekocht die niet eligible waren of die van factoringklanten waren die niet aan de gestelde voorwaarden van NIBC voldeden en opbrengsten zijn gebruikt voor andere doeleinden dan overeengekomen. Ook zou de administratie ontoereikend gevoerd zijn en er zouden er diverse onregelmatigheden zijn in de maandelijkse rapportages die de [bedrijfsnaam 1] -groep aan NIBC verstrekte.
2.4.
De [bedrijfsnaam 1] -groep is grotendeels failliet verklaard, maar niet [bedrijfsnaam 2] . De afwikkeling van de zogenoemde vorderingenportefeuille loopt nog. Deze afwikkeling zal volgens NIBC niet voldoende zijn voor [bedrijfsnaam 2] om haar verplichtingen jegens NIBC te kunnen voldoen. Volgens NIBC bedroeg haar vordering op [bedrijfsnaam 2] per 19 december 2024 ongeveer € 31 miljoen.
2.5.
NIBC stelt dat [partij B] bewust de [bedrijfsnaam 1] -groep onjuist aan NIBC heeft laten rapporteren, waardoor NIBC meer financiering aan [bedrijfsnaam 2] heeft verstrekt. Ook heeft hij de [bedrijfsnaam 1] -groep een ontoereikende administratie laten voeren en de onrechtmatige handelwijze en ongerechtvaardigde investeringen van de [bedrijfsnaam 1] -groep toegelaten. Daarbij heeft [partij B] c.s. als financieel adviseur een op hem rustende zorgvuldigheidsnorm geschonden en kan hem als (feitelijk) bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Deze stellingen vormen – kort samengevat – de grondslag voor de vordering van NIBC jegens [partij B] c.s. uit hoofde van onrechtmatige daad.
in het incident
2.6.
[partij B] c.s. heeft bij incidentele conclusie een tweetal incidentele vorderingen ingesteld. [partij B] c.s. vordert (i) verlof om een viertal (rechts)personen in vrijwaring te mogen oproepen en (ii) dat NIBC wordt bevolen tot het verstrekken van afschrift van een aantal gegevens (artikel 195 Rv).
2.7.
NIBC heeft zich gerefereerd ten aanzien van het vrijwaringsincident en voert verweer tegen de vordering op grond van artikel 195 Rv.
2.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

Het vrijwaringsincident op grond van artikel 210 lid 1 Rv
3.1.
[partij B] c.s. vordert in het incident dat het hem wordt toegestaan om de heer [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ) en de heer [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2] ) alsmede hun respectievelijke holdings [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V. in vrijwaring op te roepen. [naam 1] en [naam 2] zijn voormalig bestuurders van (onder meer) [bedrijfsnaam 1] .
3.2.
Volgens [partij B] c.s. was hij in de periode van 1 oktober 2018 tot 1 juni 2019 geen (feitelijk) bestuurder van enige entiteit binnen de [bedrijfsnaam 1] -groep. Indien de rechtbank anders zou oordelen en [partij B] c.s. als (feitelijk) bestuurder of opdrachtnemer aansprakelijk zou zijn, brengt dat met zich dat [naam 1] en [naam 2] naast hem aansprakelijk zijn, wat al blijkt doordat NIBC ook tegen hen een procedure uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid heeft gestart. [1] [partij B] c.s. stelt dat hij belang heeft bij regres, omdat [naam 1] en [naam 2] voor het grootste deel draagplichtig zullen zijn (artikel 6:10 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarnaast doet NIBC een beroep op groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW. Indien dat het geval zou zijn, dan heeft [partij B] c.s. eveneens een regresvordering jegens [naam 1] en [naam 2] , met wie hij alsdan een groep zou vormen, op grond van artikel 6:166 lid 2 BW.
3.3.
Volgens [partij B] c.s. heeft hij bij een ongunstige afloop van de hoofdzaak ook een regresvordering tegen de persoonlijke holdings van [naam 1] en [naam 2] omdat deze partij zijn bij zijn managementovereenkomst van 3 januari 2020, waarbij zij [partij B] c.s. hebben gevrijwaard voor vorderingen van derden inzake handelingen van [bedrijfsnaam 1] die hebben plaatsgevonden vóór 3 januari 2020. Daaronder vallen ook vorderingen van NIBC jegens [partij B] c.s.
3.4.
NIBC refereert zich ten aanzien van de vordering tot vrijwaring aan het oordeel van deze rechtbank.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, in een zoveel mogelijk gelijktijdig met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.
3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] c.s. voldoende gesteld en onderbouwd dat hij, indien de beslissing in de hoofdzaak voor hem nadelig zal uitvallen, hetgeen waartoe hij veroordeeld wordt (gedeeltelijk) mogelijk zou kunnen verhalen op [naam 1] , [naam 2] dan wel hun persoonlijke holdings. De rechtbank zal [partij B] c.s. dan ook toelaten [naam 1] , [naam 2] en hun persoonlijke holdings in vrijwaring op te roepen.
De incidentele vordering op grond van artikel 195 Rv: vordering tot verstrekking van afschriften van gegevens
3.7.
[partij B] c.s. vordert na vermindering van eis [2] – samengevat – op grond van artikel 195 Rv verstrekking door NIBC van afschrift van de volgende gegevens:
gegevens omtrent de verstrekking van de kredietfaciliteit onder de
Senior Loandoor NIBC aan [bedrijfsnaam 2] op 24 mei 2017 en meer specifiek de kredietaanvraag door [bedrijfsnaam 1] en de onderliggende stukken, het interne kredietvoorstel zoals dat is voorgelegd aan het
risk committeevan NIBC en de beoordeling van het risk committee van NIBC;
de maandelijkse rapportages van [bedrijfsnaam 1] van juni 2017, september 2017, december 2017, maart 2018, juni 2018 en september 2018;
interne analyses van NIBC op de ontvangen rapportages van [bedrijfsnaam 2] ;
gegevens omtrent de ophoging van de kredietfaciliteit onder de Senior Loan op 28 december 2018 en met name de kredietaanvraag van de [bedrijfsnaam 1] en de onderliggende stukken, het interne kredietvoorstel en de beoordeling van het risk committee van NIBC;
(vervallen)
tussentijdse rapportages van [bedrijfsnaam 2] over de afwikkeling van openstaande vorderingen op debiteuren van factoringklanten en factoringklanten en interne analyses van NIBC die zij naar aanleiding daarvan heeft gemaakt;
integrale processtukken uit de procedure van NIBC tegen [naam 1] en [naam 2] .
Beoordelingskader
3.8.
Bij de beoordeling van dit incident stelt de rechtbank het volgende voorop. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking tegenover degene die over de gegevens beschikt. Daarbij moet het gaan om gegevens die voldoende bepaald zijn en waarbij de partij een voldoende belang heeft (artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Artikel 194 Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Zogenoemde ‘fishing expeditions’ moeten worden voorkomen.
3.9.
De rechter wijst de vordering overeenkomstig artikel 194 Rv toe, tenzij er sprake is van een verschoningsrecht of gewichtige redenen die zich daartegen verzetten (artikelen 194 lid 2 en 195 lid 1 Rv).
De gegevens die zien op de verstrekking van de kredietfaciliteit en de ophoging daarvan (vorderingen i en iv)
3.10.
[partij B] c.s. vordert afschriften van de gegevens omtrent de verstrekking van de kredietfaciliteit onder de zogenoemde Senior Loan door NIBC aan [bedrijfsnaam 2] op 24 mei 2017, en met name de kredietaanvraag door [bedrijfsnaam 1] en de onderliggende stukken, het interne kredietvoorstel – zoals dat is voorgelegd aan het risk committee van NIBC – en de beoordeling van het risk committee van NIBC.
3.11.
Ook vordert [partij B] c.s. afschriften van de gegevens omtrent de ophoging van de kredietfaciliteit onder de Senior Loan op 28 december 2018 en met name de kredietaanvraag van [bedrijfsnaam 1] inclusief onderliggende stukken, het interne kredietvoorstel zoals dat is voorgelegd aan het risk committee van NIBC en de beoordeling van het risk committee van NIBC.
3.12.
De rechtbank zal de vordering die ziet op de kredietaanvraag en de daaraan onderliggende stukken toewijzen, maar zal de vordering die ziet op de interne documentatie van NIBC afwijzen. Hiervoor is het volgende redengevend.
3.13.
Weliswaar was [partij B] ten tijde van de aanvraag van de kredietfaciliteit niet bij [bedrijfsnaam 1] betrokken, maar dat betekent niet dat deze stukken niet zien op de rechtsbetrekking tussen hem en NIBC. Het begrip rechtsbetrekking moet immers ruim worden opgevat. [3] De vorderingen van NIBC betreffen handelingen van [partij B] omtrent de uitvoering van de afspraken rondom de kredietfaciliteit. Welke rechten en plichten de [bedrijfsnaam 1] -groep jegens NIBC had, waarvan [partij B] c.s. wordt verweten te hebben bewerkstelligd dat deze zijn geschonden, wordt mede bepaald door de kredietaanvraag. Daarmee heeft [partij B] c.s. – naar het oordeel van de rechtbank – belang bij de gegevens die zien op de kredietaanvraag en de stukken die daaraan ten grondslag liggen. Bovendien kunnen de aanvraaggegevens aan [partij B] c.s. meer duidelijkheid geven op basis van welke gegevens NIBC de Senior Loan heeft verstrekt en met welke gegevens van de [bedrijfsnaam 1] -groep zij bij het aangaan van de faciliteit zij al bekend was.
3.14.
NIBC stelt dat zij geen kredietaanvraag tot haar beschikking heeft, omdat een schriftelijke kredietaanvraag niet bestaat. Wel heeft een zogenoemde
due diligence-onderzoek en een kredietbeoordelingstraject plaatsgevonden ten behoeve van de verstrekking van het krediet. NIBC heeft aangeboden om – bij toewijzing van de vordering tot afgifte – deze stukken te inventariseren in een lijst en deze lijst eerst aan [partij B] c.s. te verstrekken waaruit hij een selectie mag maken, waarop vervolgens NIBC de gegevens verstrekt of bezwaren tegen verstrekking daarvan maakt. Daar is [partij B] c.s. ter zitting mee akkoord gegaan. De rechtbank zal de vordering tot afgifte van deze stukken dan ook onder die voorwaarden toewijzen. Mochten hierover geschillen rijzen, dan zal de rechtbank partijen de gelegenheid geven om deze aan de rechtbank voor te leggen, zoals weergegeven in de beslissing van dit vonnis.
3.15.
De rechtbank wijst de vordering af voor zover deze ziet op de
internestukken van NIBC met betrekking tot de kredietaanvraag- en ophoging, zoals het interne kredietvoorstel en de beoordeling van het risk committee. NIBC heeft terecht gesteld dat gewichtige redenen tegen de afgifte van interne stukken zich verzetten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
3.16.
Voor een partij kan een gewichtige reden bestaan bij handhaving van de vertrouwelijkheid van haar bedrijfsgegevens, zoals haar interne besluit- en gedachtevorming. [4] Een bedrijf moet vrijelijk haar bedrijfsvoering kunnen uitoefenen en dus zonder vrees voor openbaarmaking van haar interne besluit- en gedachtevorming. Dit geldt niet alleen voor haar interne besluit- en gedachtevorming met het oog op een standpuntbepaling ten aanzien van een (dreigend) geschil, maar ook voor haar algemene bedrijfsvoering. Of dat in een concreet geval zou kunnen of moeten leiden tot afwijzing van de vordering, dient door de rechter met afweging van alle betrokken belangen, gemotiveerd te worden beslist.
3.17.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de interne stukken van NIBC, waarnaar [partij B] c.s. afgifte verlangt, inzichten geven in (de interne besluit- en gedachtevorming over) de bedrijfsvoering van NIBC. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van NIBC bij handhaving van de vertrouwelijkheid van deze stukken zwaarder dan het belang van [partij B] c.s. Bovendien valt niet zonder meer te zien op welke wijze deze interne stukken mede de rechten en verplichtingen van de [bedrijfsnaam 1] -groep (die [partij B] c.s. zou hebben geschonden) bepalen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de vordering van [partij B] om afgifte van de gegevens die zien op de aanvraag en de ophoging van het krediet van [bedrijfsnaam 1] en de onderliggende stukken wordt toegewezen. Met die gegevens kan [partij B] c.s. voldoende inzichten krijgen in de gegevens waarop NIBC de kredietrelatie van [bedrijfsnaam 2] is aangegaan en vervolgens het krediet heeft verhoogd.
3.18.
Anders dan [partij B] c.s. stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het zogenoemde geheime karakter van de stukken niet langer als actueel en dus niet langer als geheim te beschouwen, omdat de stukken ouder dan 7 jaar zouden zijn. NIBC heeft gemotiveerd aangevoerd dat haar interne besluit- en gedachtevorming omtrent het proces van het verstrekken van een krediet een wezenlijk onderdeel vormt van haar commerciële positie en dat deze stukken alsnog vertrouwelijk moeten worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het feit dat de stukken ouder dan 7 jaar zijn niet zonder meer tot de conclusie dat er geen sprake meer is van gewichtige redenen die zich tegen afgifte van de gegevens verzetten noch dat het belang bij handhaving van de vertrouwelijkheid niet meer zwaarder kan wegen dan het belang bij verstrekking van die gegevens. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie kunnen leiden.
De maandelijkse rapportages van [bedrijfsnaam 1] van juni 2017, september 2017, december 2017, maart 2018, juni 2018 en september 2018 (vordering ii)
3.19.
[partij B] c.s. vordert afschrift van de maandelijkse rapportages van [bedrijfsnaam 1] van juni 2017, september 2017, december 2017, maart 2018, juni 2018 en september 2018. De rechtbank wijst deze vordering toe. Daartoe overweegt zij het volgende.
3.20.
NIBC voert aan dat deze gegevens niet zien op de periode dat [partij B] c.s. bij [bedrijfsnaam 1] betrokken was en daarom niet bruikbaar zijn voor zijn verweer. Deze stukken zouden daarom niet zien op de rechtsbetrekking tussen [partij B] c.s. en NIBC. Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] c.s. voldoende gemotiveerd gesteld dat deze gegevens van belang voor zijn mogelijke verweren kunnen zijn, zoals een eigen schuld-verweer. Daarbij merkt de rechtbank op dat de kans van slagen van het verweer buiten beschouwing moet blijven. Ook het gegeven dat deze gegevens zien op een periode waarin hij nog niet bij [bedrijfsnaam 1] betrokken was, leidt niet tot een andere conclusie.
De interne analyses van NIBC op de ontvangen rapportages van [bedrijfsnaam 2] (vordering iii)
3.21.
[partij B] c.s. vordert ook de interne analyses van NIBC op de ontvangen rapportages van [bedrijfsnaam 2] . De rechtbank wijst deze vordering af.
3.22.
Naar het oordeel van de rechtbank verzetten gewichtige redenen tegen toewijzing van deze vordering. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze interne stukken inzichten geven in de interne besluit- en gedachtevorming van NIBC, waarbij zij belang heeft bij handhaving van de vertrouwelijkheid. Dit belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [partij B] c.s. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vordering tot afgifte van de maandrapportages wordt toegewezen en [partij B] c.s. daarmee voldoende inzicht kan krijgen aan de hand van welke gegevens NIBC haar relatie met [bedrijfsnaam 1] voortzette.
De tussentijdse rapportages van [bedrijfsnaam 2] over de afwikkeling van openstaande vorderingen op debiteuren van factoringklanten en factoringklanten en interne analyses van NIBC die zij naar aanleiding daarvan heeft gemaakt (vordering vi)
3.23.
[partij B] c.s. heeft toegelicht dat deze stukken met name van belang zijn ten aanzien van de omvang van de (gestelde) schade en een mogelijk beroep van [partij B] c.s. op eigen schuld. Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag naar de omvang van de schade pas aan de orde komt als de aansprakelijkheid van [partij B] c.s. is vastgesteld. Bovendien is de ‘stand’ van de factoringdebiteuren alleen relevant als partijen van mening verschillen over de (al dan niet op aannames gebaseerde) waardering van de vorderingenportefeuille in de vergelijking tussen het werkelijke scenario en het hypothetische scenario (het gestelde onrechtmatig handelen weggedacht). Het is niet ondenkbaar dat de gevraagde informatie uiteindelijk niet voor [partij B] c.s. van belang gaat zijn terwijl het om omvangrijke informatie gaat en zowel het verstrekken als het bestuderen daarvan tijd en kosten met zich gaat brengen. Daarom is ter zitting met partijen gesproken over de mogelijkheid om de beslissing op de vordering tot afschrift van deze gegevens aan te houden zodat hier, zo nodig, in de hoofdzaak alsnog op kan worden beslist. Partijen hebben daarmee ingestemd en daarom zal de rechtbank deze beslissing aanhouden.
De integrale processtukken uit de procedure van NIBC tegen [naam 1] en [naam 2] , zoals bekend bij de rechtbank Den Haag onder zaaknummer C/09/659611 (vordering vii)
3.24.
[partij B] c.s. vordert de processtukken uit de procedure van NIBC tegen [naam 1] en [naam 2] , zoals bekend bij de rechtbank Den Haag onder zaaknummer C/09/659611, inclusief de toekomstige stukken. Aan deze vordering legt hij het volgende ten grondslag. Mocht [partij B] c.s. aansprakelijk jegens NIBC zijn, dan is hij hoofdelijk aansprakelijk met de bestuurders van [bedrijfsnaam 2] . Tegen hen is NIBC een aparte procedure aan het voeren en om zijn rechtspositie te bepalen, heeft [partij B] c.s. ook deze stukken nodig. Zeker nu NIBC een beroep doet op de inhoud van de stukken van de heer [naam 2] , maar deze slechts (beperkt) gedeeltelijk heeft overgelegd, aldus [partij B] c.s.
3.25.
Wat haar eigen processtukken betreft, heeft NIBC aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken daarvan. Dit heeft zij dan ook bij haar conclusie in het incident gedaan. Ter zitting heeft zij aangegeven om ook bereid te zijn haar toekomstige processtukken aan [partij B] c.s. te verstrekken. Dit deel van de vordering zal de rechtbank dan ook toewijzen. Wat [naam 1] betreft, hij heeft verstek laten gaan en dus geen processtukken ingediend.
3.26.
Ten aanzien van de processtukken van [naam 2] overweegt de rechtbank als volgt. De processtukken van [naam 2] in de procedure tussen hem en NIBC maken geen deel uit van de rechtsbetrekking tussen [partij B] c.s. en NIBC waarop [partij B] c.s. zich in het kader van artikel 195 Rv beroept. Die stukken bepalen niet (mede) het (al dan niet) bestaan en/of de omvang van de vordering die NIBC op [partij B] c.s. meent te hebben. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. Dat neemt niet weg dat [partij B] c.s. er, op zichzelf terecht, op heeft gewezen dat NIBC in haar dagvaarding uit de processtukken van [naam 2] heeft geciteerd en van die processtukken alleen de betreffende pagina’s c.q. passages heeft overgelegd. Dat maakt echter niet dat die stukken alsnog deel uit zijn gaan maken van de rechtsbetrekking tussen [partij B] c.s. en NIBC. In de hoofdprocedure kan aan de orde komen in hoeverre NIBC, door wel uit de processtukken te citeren maar deze slechts gedeeltelijk te overleggen, heeft voldaan aan haar motiverings- en substantiëringsplicht en in hoeverre er aanleiding is NIBC op de voet van artikel 21 en 22 Rv te bevelen de processtukken, of delen daarvan, alsnog over te leggen. Daarbij kan mede een rol spelen welke relevantie wordt toegedicht aan de door [naam 2] in zijn procedure – naar kan worden aangenomen: ten faveure van zijn eigen rechtspositie – ingenomen stellingen. Voor die beoordeling is in dit incident geen plaats.
Voorschot
3.27.
NIBC heeft de rechtbank verzocht een voorschotbeslissing in de zin van artikel 195 lid 2 Rv te nemen. Nu partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij bereid zijn om in overleg te treden over het voorschot om tot overeenstemming te komen – wat mede afhangt van de hoeveelheid over te leggen stukken – zal de rechtbank daar (nu) geen beslissing over nemen. Mochten partijen geen overeenstemming bereiken, dan mogen zij zich bij akte daarover uitlaten en de rechtbank om een beslissing verzoeken.
3.28.
Ter zitting is tussen partijen afgesproken dat [partij B] c.s. het te betalen voorschot mag voldoen vanuit het door NIBC ten laste van hem beslagen banktegoed.
Geheimhoudingsplicht op grond artikel 28 lid 1 sub c Rv
3.29.
Partijen hebben ter zitting ingestemd met de oplegging van een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 28 lid 1 sub c Rv. De rechtbank zal in haar beslissing deze geheimhoudingsplicht aan partijen opleggen.
Proceskosten
3.30.
NIBC wordt in het incident grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] c.s. worden begroot op € 1.228 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II) en € 178 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), in totaal € 1.406.
Hoe nu verder
3.31.
Ter uitvoering van hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank het volgende spoorboekje vast, waarbij het partijen uiteraard vrij staat om in onderling overleg daarvan af te wijken:
  • NIBC verstrekt binnen vier weken na datum van dit vonnis, dus uiterlijk 18 februari 2026, aan [partij B] c.s. de lijst met documenten ten aanzien van de verstrekking en ophoging van het krediet als bedoeld in vordering i. en iv., met uitzondering van de interne documenten van NIBC, een en ander als hiervoor uitgewerkt onder 3.10 en verder;
  • [partij B] c.s. zal vervolgens binnen vier weken daarna, dus uiterlijk 18 maart 2026, aan NIBC aangeven welk van de op de hiervoor bedoelde lijst genoemde documenten hij wenst te ontvangen. Indien [partij B] c.s. van mening is dat NIBC met het verstrekken van de lijst niet voldoet aan de veroordeling als omschreven 3.12 kan hij op de rol van 18 maart 2026 een akte te nemen waarin hij de resterende geschilpunten identificeert en zijn standpunt daartoe toelicht;
  • NIBC zal de hiervoor bedoelde documenten vervolgens binnen drie weken, dus uiterlijk 8 april 2026 aan [partij B] c.s. verstrekken en, zo nodig, op de rol van 8 april 2026 bij akte reageren op de (eventueel) door [partij B] c.s. genomen akte;
  • Voor zover partijen geen overeenstemming bereiken over de hoogte van het voorschot mag NIBC bij (indien van toepassing: dezelfde) akte van 8 april 2026 toelichten welk voorschot zij, in het licht van de daadwerkelijk over te leggen documenten, redelijk acht. [partij B] c.s. mag in dat geval bij akte van 22 april 2026 daarop reageren. De rechtbank verzoekt partijen om, indien aktewisseling niet nodig blijkt, dat bij B-formulier aan de rechtbank te berichten.

4.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
4.1.
staat [partij B] c.s. toe om [naam 1] , [naam 2] , [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V. in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van deze rechtbank van
4 maart 2026;
4.2.
gebiedt NIBC om binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis aan [partij B] c.s. afschrift te verstrekken van de maandelijkse rapportages van [bedrijfsnaam 1] van juni 2017, september 2017, december 2017, maart 2018, juni 2018 en september 2018;
4.3.
gebiedt NIBC om haar processtukken, inclusief haar toekomstige processtukken, uit de procedure van NIBC tegen [naam 1] en [naam 2] , zoals bekend bij de rechtbank Den Haag onder zaaknummer C/09/659611, binnen vier weken na indiening aan [partij B] c.s. te verstrekken;
4.4.
veroordeelt NIBC om uiterlijk 18 februari 2026 de lijst als bedoeld onder 3.14 aan [partij B] c.s. te verstrekken;
4.4.1.
bepaalt dat [partij B] c.s. uiterlijk 18 maart 2026 aan NIBC laat weten welke stukken van deze lijst hij wil ontvangen;
4.4.2.
veroordeelt NIBC om uiterlijk 8 april 2026 afschrift van deze stukken aan [partij B] c.s. te verstrekken;
4.5.
verbindt aan de verstrekking van documenten als bedoeld onder 4.2, 4.3 en 4.4.2 (waaronder begrepen de lijst als bedoeld onder 4.4) de voorwaarde dat [partij B] c.s. deze niet met derden mag delen of openbaar maken, anders dan voor zover dat nodig is in het kader van deze procedure in de hoofdzaak;
4.6.
veroordeelt NIBC in de proceskosten van [partij B] c.s. van € 1.406, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als NIBC niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet NIBC € 92 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;
4.7.
wijst af de incidentele vorderingen van [partij B] c.s. onder i) en iv) (voor zover deze zien op de interne documentatie van NIBC), iii) (integraal) en vii) (voor zover deze zien op de processtukken van [naam 2] );
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan;
4.9.
verwijst de procedure naar de rol van 18 maart 2026 voor de hiervoor onder 3.31 bedoelde akte van [partij B] c.s.;
in de hoofdzaak
4.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
3418

Voetnoten

1.Zie rb. Den Haag 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20438.
2.Pleitnota [partij B] c.s. onder 5.3.