Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.39940
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij asielaanvraag Syrië onder Dublinverordening

Eiser diende op 15 april 2024 een asielaanvraag in, waarbij uit het Eurodac-systeem bleek dat hij Europa via Italië was binnengekomen. De minister besloot geen overnameverzoek aan Italië te richten en de aanvraag in de nationale procedure te behandelen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië niet langer geldt vanwege het ontbreken van opvangfaciliteiten.

De beslistermijn van zes maanden voor de minister om op de aanvraag te beslissen begon op 15 april 2024 en liep in principe tot 15 oktober 2024. Omdat eiser uit Syrië komt, gold vanaf 14 december 2024 tot 13 juni 2025 een besluitmoratorium, waardoor de beslistermijn met maximaal één jaar werd verlengd tot 15 oktober 2025.

Eiser stelde de minister op 30 juli 2025 in gebreke, maar de rechtbank oordeelde dat deze ingebrekestelling prematuur was omdat de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en behandelde de zaak zonder zitting.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling binnen de verlengde beslistermijn.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39940
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
4. Eiser heeft op 15 april 2024 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op dezelfde datum bleek uit het Eurodac-systeem dat eiser Europa via Italië is ingereisd. De minister heeft eiser op 26 juli 2024 schriftelijk laten weten geen overnameverzoek in te dienen bij de Italiaanse autoriteiten en de aanvraag van eiser te behandelen in de nationale procedure.
5. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
6. Vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, is de minister verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat dit voor de minister in ieder geval duidelijk was na de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2023. Dat betekent dat de beslistermijn is aangevangen op 15 april 2024 en dat de minister in beginsel uiterlijk op 15 oktober 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.
7. Eiser komt echter uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.7 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.8
8. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.9 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
9. De minister diende uiterlijk op 15 oktober 2025 te beslissen op de aanvraag
(15 april 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 30 juli 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
6 ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.3.3.
7 Stct. 2024, 41538.
8 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.