Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.17242
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening teruggeven paspoort wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn paspoort terug te krijgen, dat in beslag is genomen door de minister van Asiel en Migratie. Het paspoort is nodig voor zijn aanvraag als familielid van een EU-burger en voor inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP).

De minister heeft aangegeven dat verzoeker onder begeleiding van medewerkers van de AVIM het paspoort kan tonen bij het IND-loket en voor de inschrijving in de BRP, waardoor het niet noodzakelijk is het paspoort terug te geven. Verzoeker stelt dat dit een onrechtmatige inbreuk op zijn bewegingsvrijheid vormt en dat het hem onnodig belemmert in zijn procedure.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker met de geboden medewerking de noodzakelijke handelingen kan verrichten. Hierdoor is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen zonder inhoudelijke belangenafweging of voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot teruggeven van het paspoort wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.17242
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Belevska).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder de inbeslagname van het paspoort van verzoeker voortgezet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt het paspoort per direct, en uiterlijk binnen een week terug te geven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker voert aan dat hij zijn paspoort nodig heeft voor zijn aanvraag voor een vergunning als familielid van een EU-burger. Ook stelt verzoeker het paspoort nodig te hebben om zich te kunnen inschrijven in de BRP [2] .
3. De AVIM heeft laten weten dat er medewerkers met verzoeker mee kunnen naar de afspraak van het IND [3] loket om het paspoort te tonen, zodat de IND de nodige handelingen kan verrichten. Ook voor de inschrijving van de BRP kan verzoeker een afspraak met de AVIM maken om onder begeleiding het originele document te tonen. Het is voor verzoeker dus niet vereist dat hij weer in bezit wordt gesteld van zijn paspoort voor de inschrijving in de BRP en om zijn verblijfsaanvraag te kunnen doorlopen. Daarom is er volgens de minister geen sprake van een spoedeisend belang.
4. Verzoeker stelt dat wel sprake is van spoed, omdat hij zijn aanvraagprocedure niet op adequate manier voortzetten. Met name wordt het hem onnodig moeilijk gemaakt om zich in te schrijven in de BRP. Het wordt verzoeker wordt ook onmogelijk gemaakt om te voldoen aan zijn legitimatieplicht. Het is niet de bedoeling dat verzoeker voor elke handeling AVIM moet vragen om hem te vergezellen, er is sprake van een onrechtmatige inbreuk op de bewegingsvrijheid van verzoeker.
5. Verder stelt verzoeker dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat de minister geen belang heeft bij het inhouden van het paspoort, er geen zicht op uitzetting is en de voortzetting van de inbeslagname van het paspoort dient geen enkel doel (er is geen sprake van gedwongen vertrek of identiteitsvaststelling). De voortzetting van de inbeslagname is volgens verzoeker onrechtmatig en de minister heeft niet gemotiveerd waarom voortzetting nodig is.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker kan immers, met de toegezegde medewerking van de AVIM, de nodige handelingen verrichten aan het loket van de IND en zich inschrijven in de BRP. Ter voldoening aan de legitimatieplicht kan verzoeker het bewijs van inname van zijn paspoort tonen. Bij gebrek aan een spoedeisend belang is het verzoek kennelijk ongegrond en komt de voorzieningenrechter niet toe aan een belangenafweging of een voorlopig rechtmatigheidsoordeel.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Basisregistratie Personen.
3.Immigratie- en Naturalisatiedienst.