Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
26_1898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.2.1 Wmo 2015Art. 3 IVRKArt. 27 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid

Verzoekster, een vrouw met de Surinaamse nationaliteit die sinds 2018 in Nederland verblijft, vroeg op 18 november 2025 maatschappelijke opvang aan na een periode van huiselijk geweld en dakloosheid. Zij werd tijdelijk opgevangen in een hotel en daarna in een ander opvangadres. De aanvraag voor maatschappelijke opvang werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op 20 januari 2026 afgewezen omdat verzoekster als zelfredzaam werd beschouwd.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster en haar jonge dochter de tijdelijke opvang moesten verlaten. Uit het onderzoek van verweerder bleek dat verzoekster zelfstandig haar huishouden kan voeren, geen geestelijke gezondheidsproblemen heeft, en financiële steun ontvangt van de vader van haar dochter. Ook werd het belang van het kind betrokken bij de beoordeling.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en dat het enkele feit dat zij geen onderdak heeft niet voldoende is om maatschappelijke opvang toe te kennen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekster als zelfredzaam wordt beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1898

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Met het primaire besluit van 20 januari 2026 heeft verweerder de aanvraag om de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. E.C. Weijsenfeld als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu verzoekster met haar kind de tijdelijke opvang moet verlaten. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat verzoekster in ieder geval tot de datum van deze uitspraak in de opvang kan blijven.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster heeft de Surinaamse nationaliteit. Sinds 2018 verblijft zij in Nederland. In Nederland kreeg zij gedurende enkele jaren een relatie van wie zij in 2025 zwanger raakte. Deze relatie is op gegeven moment geëindigd. Volgens verzoekster werd zij door haar ex-vriend mishandeld en mocht zij op enig moment de woning niet meer in. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij toen geen sleutel had van de woning. Via de politie is zij naar de crisisopvang gebracht. Op medische indicatie werd verzoekster via de GGD opgevangen door het alleenstaanden loket. Na afloop daarvan heeft verzoekster bij een kennis verbleven. Toen zij daar niet langer kon verblijven heeft zij zich vervolgens op 18 november 2025 gemeld bij het daklozenloket met het verzoek om toekenning van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. Omdat verzoekster op dat moment zwanger was, heeft verweerder verzoekster per 18 november 2025 tijdelijk opgevangen in een hotel voor de periode tot aan de bevalling en haar verblijf in het kraamhotel. Op 12 december 2025 is verzoekster bevallen van een dochter, [dochter] . Verzoekster heeft het hotel verlaten op 31 januari 2026 en is daarna via het Rode Kruis opgevangen in het Teleporthotel. De biologische vader van [dochter] is niet in beeld. De Nederlandse man die [dochter] erkend heeft is wel in beeld en draagt financieel bij en heeft ook mede het gezag. Door deze erkenning heeft [dochter] de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster heeft op 24 januari 2026 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend..
4. Verweerder heeft bij het besluit van 20 januari 2026 de aanvraag van 18 november 2025 afgewezen en beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt voor maatschappelijk opvang. Volgens verweerder is verzoekster zelfredzaam.
5. Verzoekster voert aan dat het onderzoek van verweerder naar de vraag of zij in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang niet voldoet aan de eisen die de wet en de rechtspraak daaraan stellen. Haar beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie die zij ondervindt zijn onvoldoende in kaart gebracht. Verzoekster heeft er op gewezen dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld, mishandeling en uitbuiting en dat dit gevolgen heeft voor haar zelfredzaamheid en participatie. Verweerder heeft nagelaten te onderzoeken wat de hieruit voortvloeiende beperkingen zijn. Voorts stelt verzoekster dat bij het onderzoek het belang van het kind conform artikel 3 van Pro het IVRK moet worden betrokken. [dochter] is nog geen drie maanden oud, is erg kwetsbaar en een veilige hechting met haar is essentieel. Indien er geen opvang volgt, bestaat de kans dat zij van [dochter] van elkaar worden gescheiden. In dit verband heeft verzoekster gewezen op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2025 waarin is geoordeeld dat in het kader van zelfredzaamheid ook onderzocht moet worden wat de gevolgen zijn van dakloosheid voor minderjarige kinderen, nu het risico op gedwongen uithuisplaatsing bij dakloosheid groot is en dergelijke traumatische ervaring voorkomen moet worden.
6.1.
Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.2
Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
6.3.
Centraal staat de vraag of verzoekster in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek van verweerder zorgvuldig geweest. Blijkens het advies is onder meer onderzoek gedaan naar verzoeksters financiën, werk en opleiding, huisvesting, lichamelijke- en geestelijke gezondheid, algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), sociaal netwerk en maatschappelijke participatie. Ook is bij het onderzoek de belangen van de dochter van verzoekster betrokken. Daarmee is voldoende in kaart gebracht wat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn en waar haar hulpvraag ligt.
7.2
Uit het onderzoek van verweerder is gebleken dat verzoekster 7 jaar geleden naar Nederland gekomen en dat zij gedurende die periode zelfstandig een verblijf heeft weten te regelen. Zij heeft in die periode af en toe in de thuiszorg gewerkt en is in die tijd altijd financieel geholpen door mensen uit Nederland. Verder is gebleken dat verzoekster geen hulpvraag heeft op het gebied van de geestelijke gezondheid en dat zij geen medicatie gebruikt. Verder heeft verzoekster verklaard dat zij de basale ADL zelfstandig kan uitvoeren, dat zij zelf zaken kan regelen en dat zij in staat is het huishouden zelfstandig uit te voeren. Ter zitting is gebleken dat de man die haar dochter heeft erkend haar financieel steunt en dat hij ook betrokken wil blijven bij de opvoeding. Gelet op het voorgaande moet verzoekster naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zelfredzaam worden geacht. Het enkele feit dat verzoekster geen onderdak heeft, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verzoekster niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.
7.3
Ook heeft verweerder bij het nemen van het besluit voldoende rekening gehouden met het belang van de dochter van verzoekster. De dochter is 3 maanden oud en op die leeftijd heeft zij enkel de zorg van en de hechting met verzoekster nodig. Er zijn geen medische problemen die reden gegeven om te concluderen dat opvang noodzakelijk is.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders, belast met gezag, de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen. Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kleinkinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam is.
8. Omdat verzoekster als voldoende redzaam kan worden beschouwd, komt zij niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek afwijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat
de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.