AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 12 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds getoetst in een eerdere uitspraak van 6 maart 2026, waarbij de maatregel tot dat moment als rechtmatig werd beoordeeld.
In deze procedure richtte de beoordeling zich op de periode vanaf 2 maart 2026. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Senegal binnen een redelijke termijn, omdat de Senegalese autoriteiten niet reageerden op rappels en een presentatie werd geannuleerd. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk algemeen zicht op uitzetting bestaat en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd die het ontbreken van zicht op uitzetting in zijn specifieke geval aannemelijk maken.
Verder stelde eiser dat de minister een onevenredige belangenafweging had gemaakt en dat een lichter middel moest worden toegepast. De rechtbank overwoog dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het belang van de minister zwaarder weegt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, welke in dit geval niet waren aangetoond. Ook het feit dat eiser nog niet was gepresenteerd, rechtvaardigde niet de conclusie dat dit niet binnen een redelijke termijn zou gebeuren.
De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en concludeerde dat de maatregel rechtmatig werd toegepast en uitgevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18808
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 12 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 6 maart 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek op zitting achterwege blijft. [1]
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2026 (in de zaak NL26.10096) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 2 maart 2026.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Senegal binnen een redelijke termijn ontbreekt. De Senegalese autoriteiten hebben namelijk niet gereageerd op de rappels die zijn verstuurd door de minister en de presentatie in persoon bij de Senegalese autoriteiten is geannuleerd.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in het algemeen zicht op uitzetting naar Senegal, zoals eerder in de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 januari 2026 [2] en 6 maart 2026 [3] is geoordeeld. Dat nog niet is gereageerd op de rappels die door de minister zijn gestuurd en dat de presentatie is geannuleerd, is onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Senegalese autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen laissez-passer te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daar komt bij dat door eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Dat eiser in zijn laatste vertrekgesprek van 2 april 2026 heeft verklaard mee te willen werken aan zijn uitzetting, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging en lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een onevenredige belangenafweging heeft gemaakt. Eiser is van mening dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de belangen van eiser. De minister moet aan eiser een lichter middel opleggen, met name nu eiser niet meer binnen redelijke termijn zal worden gepresenteerd.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Over de stelling van eiser dat de minister een lichter middel moet opleggen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan de minister zou moeten overgaan tot het opleggen van een lichter middel. Dat eiser nog niet is gepresenteerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat presentatie niet binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [4]
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.