ECLI:NL:RBDHA:2026:9120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.12284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek met onbekende bestemming in asielprocedure

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens het Dublin-verdrag. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming Nederland had verlaten.

De rechtbank gaf de gemachtigde van eiser de gelegenheid te reageren en contact met eiser aan te geven. Hoewel de gemachtigde aanvankelijk contact had gehad rond het indienen van het beroepschrift, reageerde hij niet meer binnen de gestelde termijn om nadere informatie te verstrekken.

Op basis van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bericht met onbekende bestemming vertrekt, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, tenzij hij na vertrek nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Nu dat niet het geval is, heeft eiser geen belang meer bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 9 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12284

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Ozturk).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft op 5 maart 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 11 maart 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op
6 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op dit bericht en aan te geven of hij nog contact heeft met eiser. Gemachtigde heeft hierop op
25 maart 2026 gereageerd en gevraagd om een nadere reactietermijn. Die termijn is gemachtigde gegeven tot 8 april 2026. De gemachtigde van eiser heeft niet meer gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als een vreemdeling na de MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde.
3. Gemachtigde heeft in zijn bericht van 25 maart 2026 aangegeven dat hij rindom het indienen van het beroepschrift en de gronden hiervan nog contact met eiser heeft gehad en hij niet bekend is met het MOB gaan van eiser. Hij heeft de rechtbank gevraagd om hem de gelegenheid te geven te trachten opnieuw in contact te komen met eiser en de rechtbank daarover nader te informeren. Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft de gemachtigde niet meer gereageerd.
4. Nu uit de gegevens van verweerder blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en uit het bericht van de gemachtigde niet volgt dat eiser na de MOB-melding nog contact met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op bescherming in Nederland, zodat hij geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).