Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 3 augustus 2024 en heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden beslist. Eisers stelden de minister op 21 februari 2026 tijdig in gebreke en dienden vervolgens hun beroepen in.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk en gegrond zijn. Omdat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister de hoorzittingen houden en binnen acht weken daarna de besluiten nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen over de periode na 15 april 2025, omdat de wettelijke bepalingen daarvoor zijn komen te vervallen en de minister niet tijdig in gebreke is gesteld vóór die datum. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van €467 aan eisers, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bepaalt dat de minister binnen de gestelde termijn alsnog moet beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden en is uitgesproken op 13 april 2026.