Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.7782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnRichtlijn 2011/95/EUVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syrië wegens onvoldoende motivering 15c-beoordeling

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 17 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag op 5 februari 2026 af, stellende dat er sprake was van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en dat eiser geen individueel verhoogd risico liep. De rechtbank behandelde het beroep op 19 maart 2026.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had dat het niveau van willekeurig geweld relatief laag was, omdat de 15c-beoordeling niet volledig was en niet de meest actuele informatie was betrokken, waaronder de situatie in het herkomstgebied van eiser. Tevens werden de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet betrokken in de beoordeling.

Verweerder erkende ter zitting het motiveringsgebrek maar verzocht het besluit in stand te laten. De rechtbank wees dit af, gelet op de recente bronnen die door eiser waren ingebracht en de volatiele situatie in Syrië. De overige beroepsgronden werden niet inhoudelijk beoordeeld.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van het relatief lagere niveau van willekeurig geweld en het niet betrekken van actuele humanitaire omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7782

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 17 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen H. Rida.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2014 heeft verlaten vanwege de oorlog. Verder heeft eiser verklaard dat het stuk grond van zijn familie is toegeëigend door een andere familie die bovendien bedreigingen heeft geuit aan het adres van gevluchte Syriërs. Ook heeft eiser verklaard dat hij vreest voor rekrutering door strijdende partijen en dat hij vreest voor geweld vanwege de wijze waarop hij zijn religie belijdt.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit vier asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. vrees voor de militaire dienstplicht;
3. vrees vanwege de algemene veiligheidssituatie;
4. problemen over het stuk grond.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de problemen over het stuk grond vindt verweerder geloofwaardig. De vrees voor de militaire dienstplicht en de vrees vanwege de algemene veiligheidssituatie heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld.
3.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege de militaire dienst te vrezen heeft voor vervolging, nu er geen sprake meer is van verplichte militaire dienst sinds de val van Assad. Ook voor dienstweigeraars is er geen risico meer in Syrië. Eisers vrees voor rekrutering door andere partijen heeft verweerder beoordeeld in het kader van de algemene veiligheidssituatie. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [1] Uit het beleid [2] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Uit het algemeen ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat het geweld incidenteel van aard is en dat het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is afgenomen. Het ambtsbericht van januari 2026 geeft geen ander beeld van de situatie. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende individuele omstandigheden aangevoerd.
3.3.
Ten aanzien van het conflict met het stuk grond heeft verweerder geconcludeerd dat niet is in te zien waarom eiser bij terugkeer naar Syrië nog problemen zou verwachten, nu de toe-eigening in zijn afwezigheid is voltooid en eiser niet persoonlijk is bedreigd door de familie die zich het stuk grond heeft toegeëigend. Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser ook geen vrees voor vervolging heeft vanwege het naleven van islamitische leefregels op een andere manier dan de (lokale) machthebbers. Eiser heeft dit onvoldoende onderbouwd en er is in het algemeen geen sprake van vervolging vanwege het anders naleven van islamitische leefregels. [3]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder de actuele situatie in Syrië onvoldoende betrokken heeft in de besluitvorming. De situatie is verslechterd, zoals blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en uit openbare rapporten. Verweerder had aan moeten nemen dat er sprake is van een 15c-situatie gelet op de veiligheidssituatie in het herkomstgebied van eiser, [plaats 1] en [plaats 2] . Eisers individuele omstandigheden maken bovendien dat sprake is van een 15c-situatie, met name zijn manier van geloven, het conflict over grond, de mogelijke gedwongen rekrutering en het feit dat er nog altijd om zijn woonplaats wordt gevochten. Verweerder had deze persoonlijke omstandigheden moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een 15c-situatie. [4] Verweerder had ook de humanitaire omstandigheden moeten betrekken bij de beantwoording van deze vraag. Eiser heeft onderbouwd dat de humanitaire omstandigheden in Syrië slecht zijn door te verwijzen naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en naar verschillende bronnen (uit 2025 en 2026) verzameld door Vluchtelingenwerk Nederland.
4.1.
Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte niet alle asielmotieven als zodanig heeft herkend en beoordeeld. Verweerder heeft niet beoordeeld of eiser te vrezen heeft vanwege gedwongen rekrutering door strijdende partijen en heeft niet beoordeeld of eiser te vrezen heeft vanwege de toedichting niet te geloven in de islam. Verdere islamisering van Syrië [5] maakt dat eiser een reëel risico zal lopen dat hij onder druk wordt gezet, als verrader of als ongelovige zal worden gezien en zal worden gedwongen de wijze waarop hij zijn religie beleeft, aan te passen. Ook voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege het geschil over het stuk grond. Verweerder heeft hierbij onvoldoende betrokken dat de familie die de grond van eiser heeft afgenomen, gewapend is, eerder geweld heeft gebruikt en de feitelijke macht heeft in zijn woonplaats. Er is bovendien geen sprake van effectieve bescherming van de autoriteiten nu gewapende groepen feitelijk de macht uitoefenen. Dat eiser persoonlijk bedreigd zou moeten zijn, is een te hoge drempel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op basis van zijn beleid heeft aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [6] Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, nu de in het besluit verrichte ‘15-c beoordeling’ niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling onvoldoende de meest actuele informatie betrokken. [7] De enkele (terloopse) stelling in het besluit dat uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 niet blijkt van een ander beeld dan is geschetst in het ambtsbericht van mei 2025, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende omdat verweerder die stelling niet heeft toegelicht. Ook had verweerder bij de beoordeling informatie moeten betrekken over de situatie in [plaats 1] en [plaats 2] , het herkomstgebied van eiser.
5.3.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat de humanitaire omstandigheden niet zijn betrokken in de 15c-beoordeling en de verdere beoordeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft ter zitting verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op de ter zitting geboden aanvullende motivering. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [8] Ter zitting heeft verweerder gewezen op informatie over de humanitaire omstandigheden zoals beschreven in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 en zoals beschreven in uitspraken die zijn gebaseerd op informatie uit 2025. [9] Onder verwijzing naar deze informatie heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden voortkomen uit jarenlange oorlog, internationale sancties en het handelen door het regime Assad, wat niet langer een actieve partij is in het conflict in Syrië. Deze omstandigheden kunnen daarom volgens verweerder geen rol spelen in de 15c-beoordeling. Eiser heeft met recente bronnen onderbouwd dat de humanitaire omstandigheden in Syrië en specifiek in de regio van zijn herkomst, slecht zijn. Daarbij heeft hij gewezen op passages uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en op openbare rapporten uit eind 2025 en begin 2026. Gelet op de volatiele situatie in Syrië en het geheel van de overgelegde informatie, had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de enkele verwijzingen naar verouderde informatie. [10] De beroepsgrond slaagt.
5.4.
De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden. Nu niet deugdelijk is gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, kan de rechtbank niet beoordelen of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van persoonlijke, individuele omstandigheden het risico loopt op ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 5 februari 2026. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
2.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Verweerder verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025.
4.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822.
5.Eiser verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026.
6.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
7.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
8.Zoals volgt uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
9.Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 18 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3136 en van 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3074.
10.Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
11.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.