Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 17 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag op 5 februari 2026 af, stellende dat er sprake was van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en dat eiser geen individueel verhoogd risico liep. De rechtbank behandelde het beroep op 19 maart 2026.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had dat het niveau van willekeurig geweld relatief laag was, omdat de 15c-beoordeling niet volledig was en niet de meest actuele informatie was betrokken, waaronder de situatie in het herkomstgebied van eiser. Tevens werden de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet betrokken in de beoordeling.
Verweerder erkende ter zitting het motiveringsgebrek maar verzocht het besluit in stand te laten. De rechtbank wees dit af, gelet op de recente bronnen die door eiser waren ingebracht en de volatiele situatie in Syrië. De overige beroepsgronden werden niet inhoudelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.