ECLI:NL:RBDHA:2026:8925
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs huwelijk Eritrea
Eiser, een Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vermeende echtgenote, referente, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat het huwelijk niet aannemelijk was gemaakt. De overgelegde kerkelijke huwelijksakte vertoonde ongerijmdheden, zoals een handtekening van een overleden persoon en tegenstrijdige huwelijksdata.
Eiser stelde dat verweerder eerst het huwelijk had moeten beoordelen en niet de relatie, en dat de verklaringen over het huwelijk onvoldoende waren betrokken. Ook voerde hij aan dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat verweerder onjuist was begonnen met het onderzoeken van de relatie, maar dat dit niet tot een gegrond beroep leidde omdat het huwelijk ook zonder die verklaringen onvoldoende aannemelijk was.
De rechtbank vond de motivering van verweerder over de ongerijmdheden in de huwelijksakte en de tegenstrijdige verklaringen voldoende. Ook was eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om tegenstrijdigheden toe te lichten. Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro was verweerder volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom niet ambtshalve werd getoetst, verwijzend naar het geldende beleid.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs van het huwelijk wordt ongegrond verklaard.