Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8918

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.43481
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en familierechtelijke relatie

Eiseres, met de Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland, na nareisaanvragen door haar jongere broertje, die een verblijfsvergunning asiel heeft. Haar aanvraag werd afgewezen omdat zij haar identiteit en de familierechtelijke relatie met haar broertje niet aannemelijk kon maken. Verweerder bood geen nader onderzoek aan vanwege een contra-indicatie, namelijk dat de referent haar niet noemde tijdens zijn asielprocedure.

Eiseres voerde aan dat haar geboortedatum onjuist is vastgesteld, dat het jongvolwassenenbeleid op haar van toepassing is en dat zij afhankelijk is van haar vader in Afghanistan. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de beperkte bewijswaarde van haar documenten heeft meegewogen en dat de contra-indicatie voldoende gemotiveerd is. De uitleg van eiseres en haar broertje kon de contra-indicatie niet wegnemen.

De rechtbank volgde eiseres niet in haar betoog dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden en stelde vast dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan de beoordeling van het gezinsleven. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit en familierechtelijke relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43481

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), bijgestaan door mr. E. Verstelle (als waarnemer van de gemachtigde van eiseres). Als tolk is verschenen A.R. Faquiri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Afghaanse nationaliteit. Op haar tazkera staat vermeld dat ze is geboren op [geboortedatum] 2002. Het jongere broertje van eiseres, referent, heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en vervolgens nareis aangevraagd voor eiseres, zijn ouders en zijn overige broers en zussen. De aanvraag van eiseres is later ingediend dan de aanvragen van de andere familieleden. Referent heeft verklaard dat eiseres sinds jonge leeftijd bij een tante woonde en dat zij na het overlijden van de tante is teruggekeerd naar de woning van haar ouders. Referent heeft daaropvolgend op 5 juni 2023 ook namens eiseres een aanvraag voor een mvv ingediend. De aanvragen van de andere familieleden zijn ingewilligd op 27 januari 2026.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Omdat er sprake is van een contra-indicatie heeft verweerder eiseres niet het voordeel van de twijfel gegeven en niet aangeboden nader onderzoek te doen naar haar identiteit en de familierechtelijke relatie. Ook als eiseres wel het voordeel van de twijfel had gekregen, zou er geen nader
onderzoek aangeboden worden, aangezien er geconcludeerd zou zijn dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiseres en referent, tussen eiseres en haar ouders en tussen eiseres en haar andere broers en zussen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert ten eerste aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij is geboren op [geboortedatum] 2002, de geboortedatum die is vermeld op haar paspoort en tazkera. Referent en zijn voogd hebben verklaard dat eiseres in 2005 is geboren en dat er fouten zijn gemaakt op haar identiteitsdocumenten. Eiseres wordt benadeeld door het aanhouden van de verkeerde geboortedatum. Zij wordt daardoor als meerderjarig beschouwd, er wordt haar geen DNA-test aangeboden en zij moet voldoen aan een strenger beoordelingskader voor het aantonen van gezinsleven met haar familieleden. Ten tweede voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op haar van toepassing is. Eiseres heeft er niet zelf voor gekozen om lange tijd met haar tante te wonen. Dat zij als kind door haar ouders uit huis is geplaatst om voor haar zieke tante te zorgen, geeft geen blijk van stappen naar volwassenheid of zelfstandigheid. Bovendien heeft verweerder onvoldoende betrokken dat eiseres weer bij haar ouders woont, daarmee de gezinsband is hersteld en zij weer voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. [2] Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar ouders. Verweerder heeft niet betrokken dat eiseres afhankelijk is van haar vader omdat zij een alleenstaande jonge vrouw is in Afghanistan. Gelet op de situatie in Afghanistan is zij afhankelijk van haar vader voor haar veiligheid en voor haar bewegingsvrijheid. Verweerder handelt in strijd met Werkinstructie 2020/16 door te stellen dat deze omstandigheid asielgerelateerd is en alleen al daarom niet relevant zou zijn in de beoordeling van het familieleven. Verder heeft verweerder miskend dat eiseres financieel en emotioneel afhankelijk is van haar ouders en dat zij na het vertrek van haar familieleden geen banden heeft met Afghanistan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend en legt dat als volgt uit.
6. In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op de beperkte bewijswaarde van (de kopieën van) het paspoort en de tazkera die eiseres heeft overgelegd. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat uit het ambtsbericht [3] volgt dat tazkera’s fraudegevoelig zijn, waardoor er beperkte (bewijs)waarde aan toekomt. Uit het ambtsbericht volgt ook dat de identificatie bij uitgifte van een paspoort plaatsvind op basis van de tazkera, waardoor ook aan het paspoort minder bewijswaarde toekomt. Vervolgens heeft verweerder geconcludeerd dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie op basis van deze twee documenten nog niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat deze (tussen)conclusie niet in geschil is.
6.1.
Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit en ter zitting uitgelegd dat eiseres niet het voordeel van de twijfel krijgt en geen nader onderzoek wordt aangeboden omdat er sprake is van een contra-indicatie. Referent heeft namelijk tijdens zijn asielgehoren eiseres niet genoemd toen hij werd gevraagd naar zijn familieleden. Over de andere familieleden heeft referent wel verklaard tijdens deze gehoren. Bij de aanvraag voor eiseres heeft referent toegelicht dat zij bij zijn tante woonde en dat hij geadviseerd was om eiseres niet als gezinslid te noemen omdat hij aanvankelijk niet van plan was om voor haar een gezinsherenigingsaanvraag in te dienen.
6.2.
Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder de keuze om geen nader onderzoek aan te bieden vanwege het bestaan van een contra-indicatie moet motiveren en dat verweerder de verder afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsstukken dient te betrekken in de besluitvorming. [4]
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat sprake is van een contra-indicatie. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de uitleg van eiseres onvoldoende is om de contra-indicatie te verklaren en dat daarom eiseres niet het voordeel van de twijfel krijgt. Verweerder heeft daar de uitleg die eiseres en referent hebben geboden kenbaar bij betrokken en in de beoordeling ook de overige verklaringen en bewijsstukken betrokken. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar betoog dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft aangeboden.
7. Verweerder heeft de aanvraag al mogen afwijzen omdat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk zijn gemaakt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beroepsgronden gericht tegen de beoordeling van het familie- en gezinsleven tussen eiseres en de ouders van referent.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.
3.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan, juni 2023.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3147.