Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.63063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30c lid 1 sub c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming bij herhaalde asielaanvraag

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 3 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling op 22 december 2025 omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken voorafgaand aan het gehoor voor zijn opvolgende aanvraag.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldig had onderzocht of hij daadwerkelijk met onbekende bestemming was vertrokken en dat het vertrek niet aan hem te verwijten was. De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 9 april 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem had sinds januari 2026.

Op grond van vaste rechtspraak volgt dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt in beginsel geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. De rechtbank concludeerde dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63063

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 3 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 december 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Partijen hebben zich akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. [1] De rechtbank heeft op 24 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Het COA [2] heeft gemeld dat eiser op 9 april 2025, voorafgaand aan het gehoor voor zijn opvolgende aanvraag, met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en daar geen reden voor heeft opgegeven. [3]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en vastgesteld dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Ook heeft verweerder niet gemotiveerd dat het vertrek van eiser aan hem te verwijten is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming in Nederland. [4] De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is anders als een vreemdeling na de melding van zijn vertrek nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
5.1.
Vaststaat dat eiser sinds 9 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde van eiser op 28 januari 2026 desgevraagd de rechtbank heeft laten weten niet in contact te staan met eiser. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
3.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.