De rechtbank Den Haag heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van deelname aan een organisatie met als oogmerk het overtreden van de Opiumwet, handel in harddrugs en voorbereidingshandelingen ten behoeve van deze handel.
De tenlastelegging betrof onder meer het bezit en verhandelen van cocaïne, amfetamine en MDMA, het voorhanden hebben van middelen en materialen voor drugshandel, en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijf maanden in verschillende plaatsen in Nederland deze feiten gepleegd.
Procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging leidden tot een voorstel voor een straf van 400 dagen gevangenisstraf, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft dit voorstel na een inhoudelijke behandeling en een onderzoek naar de vrijwilligheid van de verdachte om mee te werken aan het voorstel, aanvaard.
De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte deelnam aan de organisatie en zich schuldig maakte aan de handel en voorbereidingshandelingen. Het bewezen verklaarde is strafbaar en de verdachte is strafbaar. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 400 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De vrijspraak werd uitgesproken voor een ten laste gelegd feit dat niet bewezen werd verklaard.