ECLI:NL:RBDHA:2026:8885
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na niet-tijdige beslissing op machtigingsaanvraag verblijf
Verzoeker diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf, samen met zijn zus, bij hun moeder. De minister nam de beslissing op deze aanvraag pas op 27 oktober 2025, nadat de beslistermijn was verstreken. Verzoeker stelde de minister op 11 juni 2025 in gebreke en diende vervolgens een beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Nadat de minister alsnog een besluit nam en het beroep werd ingetrokken, verzocht verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
De minister betwistte de ontvankelijkheid van het beroep, stellende dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat de ingebrekestelling en het beroep terecht waren, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 467,-, inclusief het griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en bevestigt dat bij overschrijding van de beslistermijn de verzoeker recht heeft op proceskostenvergoeding. De rechtbank zag geen aanleiding tot het houden van een zitting en deed de uitspraak op basis van het dossier.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker wegens te late besluitvorming.