Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8853

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
09/198939-20 en 09/837157-20 (TUL)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling deelname aan organisatie en handel in harddrugs met procesafspraken

De rechtbank Den Haag heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van deelname aan een organisatie met als oogmerk het overtreden van de Opiumwet, handel in harddrugs en voorbereidingshandelingen. De zaak werd behandeld met procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging, waarbij verdachte afstand deed van bepaalde rechten en het Openbaar Ministerie vrijspraak vorderde voor één van de ten laste gelegde feiten.

De bewezenverklaring betreft deelname aan een criminele organisatie, handel in cocaïne, amfetamine en MDMA, en het voorbereiden van drugshandel met behulp van diverse middelen en locaties. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de overgelegde bewijsmiddelen.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 600 dagen, waarvan 347 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het onvoorwaardelijke deel werd gelijkgesteld aan de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. Daarnaast werd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen omgezet in een taakstraf van 60 uur. De rechtbank motiveerde de straf mede door de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van de drugshandel, het strafblad van verdachte en de procesafspraken die tijdswinst en efficiëntie in de strafrechtspleging beogen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van één ten laste gelegd feit en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van de taakstraf toe. Verdachte deed afstand van in beslag genomen goederen, zodat hierover geen beslissing werd genomen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. C.W. de Wit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 600 dagen gevangenisstraf waarvan 347 dagen voorwaardelijk en taakstraf van 60 uur.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/198939-20 en 09/837157-20 (TUL)
Datum uitspraak: 14 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B. Kizilocak naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2019 tot en met 19 augustus 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven/andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 9 oktober 2019 tot en met 19 augustus 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC), zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.
hij of een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 19 augustus 2020 te Voorburg en/of Katwijk en/of Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- in een schuur ([adres 2]) ongeveer 170 gram cocaïne en/of 1227,6 gram MDMA (XTC) en/of
- in een schuur ([adres 3]) ongeveer 614 verpakkingen (628,4 gram) cocaine en/of 55 pillen MDMA (XTC) en/of 46 gram amfetamine en/of
- in/aan een auto ([kenteken]) ongeveer 7,5 gram cocaïne,
in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine en/of MDMA en/of amfetamine zijnde cocaine en/of MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 oktober 2019 tot en met 19 augustus 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of Voorburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC), zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
-een pand ([adres 4]) met daarin telefoons en/of sealtjes/ponypacks en/of chemicaliën (o.a. Hexaan en/of Butyl) en/of een geldtelmachine en/of een papierversnipperaar en/of een vacumeer machine en/of versnijdingsmiddel(en) en/of een administratie en/of autosleutels en/of een keukenmixer en/of een frame en/of
- een schuur ([adres 5]) met daarin sealbags en/of versnijdingsmiddelen (in totaal 49,95 kg en/of
-een schuur ([adres 2]) met daarin versnijdingsmiddelen en/of een keukenweegschaal en/of een grammenweger en/of verpakkingsmateriaal voor sealtjes en/of
- een schuur ([adres 3]) met daarin twee weegschalen en/of losse sealbags/verpakkingen en/of
- drie, althans een of meer lege schuren ([straatnaam 1] en/of [straatnaam 2]) en/of
- auto’s
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die
feit(en).

3.Procesafspraken

3.1.
De aard van de zaak
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 16 juli 2025 door de verdachte en zijn raadsman is ondertekend en op 17 juli 2025 door de officier van justitie is ondertekend. De officier van justitie heeft de procesafspraken voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling aan de rechtbank toegestuurd. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.
Dit afdoeningsvoorstel houdt het volgende in:
- verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt reeds ingediende en
toegewezen verzoeken in;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting vrijspraak vorderen van het onder 3 ten laste
gelegde en ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 een bewezenverklaring vorderen;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de oplegging vorderen van een
gevangenisstraf van 600 dagen (20 maanden) waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een
proeftijd van twee jaren;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de tenuitvoerlegging vorderen van de
voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen en de omzetting daarvan in een werkstraf
van 60 uur (09-837157-20);
- door de verdediging worden geen verweren gevoerd;
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging overeenkomstig de tussen
de verdachte en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
- verdachte doet afstand van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven
voorwerpen;
- het Openbaar Ministerie ziet af van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel.
Indien de rechtbank bovengenoemde procesafspraken zou afwijzen, verzoekt verdachte (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, r.o. 5.7.4) tot heropening van het onderzoek ter zitting in de volgende gevallen:
- indien de rechtbank tot een ruimere bewezenwerklaring zou komen, maar uitsluitend voor
zover de aard van het delict hiermee wezenlijk verandert;
- indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in redelijke
verhouding staat tot de ernst van de zaak en een hogere straf dient te worden opgelegd;
Het Openbaar Ministerie doet geen voorwaardelijk verzoek tot heropening en zal zich schikken in een vonnis met ruimere vrijspraak of lagere straf dan gevorderd.
3.2.
Het toetsingskader
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252. Deze komen op het volgende neer.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv Pro brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of zij de aan de verdachte ten laste gelegde feiten bewezen acht. Artikel 338 Sv Pro dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv Pro heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.
Om betekenis toe te kunnen kennen aan het afdoeningsvoorstel, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3.
De behandeling ter terechtzitting
Om de hiervoor genoemde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 maart 2026. Na de voordracht van de zaak door de officier van justitie heeft de rechtbank de verdachte bevraagd over het afdoeningsvoorstel. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat het afdoeningsvoorstel inhoudt, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn. De verdachte is daarnaast vrijwillig tot de beslissing is gekomen om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Concreet heeft de verdachte in dit kader verklaard dat hij de inhoud van het afdoeningsvoorstel meermalen heeft doorgelezen, met zijn raadsman heeft besproken en dat hij achter de in dit voorstel gemaakte afspraken staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
Overeenkomstig artikel 301 Sv Pro heeft de rechtbank de korte inhoud meegedeeld van de processtukken die zij relevant acht voor de door haar te nemen beslissingen. Dat is gedaan enerzijds om de verdachte in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, anderzijds met het oog op de externe openbaarheid. Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte de gelegenheid geboden om te reageren op de hem ten laste gelegde feiten. De verdachte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.
Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel, met de wijziging dat zij het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf met één dag heeft ingekort tot 253 dagen, zodat het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is daarmee dus één dag langer, te weten 347 dagen. De raadsman heeft het woord gevoerd ter verdediging, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht het afdoeningsvoorstel te volgen conform hetgeen door de officier van justitie is gerekwireerd. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit artikel 350 Sv Pro
beantwoorden.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is – overeenkomstig de procesafspraken – ten aanzien van de bewijsbeslissing geen verweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
1.
hij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2019 tot en met 30 juli 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven/andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 9 oktober 2019 tot en met 30 juli 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een matertaal bevattende cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC), zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 oktober 2019 tot en met 30 juli 2020 te Leiden en/of Katwijk en/of Voorburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC), zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDMA (XTC) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een pand ([adres 4]) met daarin telefoons en/of sealtjes/ponypacks en/of chemicaliën (o.a. Hexaan en/of Butyl) en/of een geldtelmachine en/of een papierversnipperaar en/of een vacumeer machine en/of versnijdingsmiddel(en) en/of een administratie en/of autosleutels en/of een keukenmixer en/of een frame en/of een schuur ([adres 5]) met daarin sealbags en/of versnijdingsmiddelen (in totaal 49,95 kg en/of
- een schuur ([adres 2]) met daarin versnijdingsmiddelen en/of een
keukenweegschaal en/of een grammenweger en/of verpakkingsmateriaal voor sealtjes
en/of
- een schuur ([adres 3]) met daarin twee weegschalen en/of losse sealbags/verpakkingen en/of
- drie, althans een of meer lege schuren ([straatnaam 1] en/of [straatnaam 2]) en/of
- auto's
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 347 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Ten opzichte van de procesafspraken heeft de officier van justitie het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf met één dag ingekort, zodat het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is daarmee dus één dag langer.
De officier van justitie heeft toegelicht dat zij in het geval er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden zou achten. Op basis van de gemaakte afspraken is de officier van justitie echter van mening dat een matiging van deze strafeis is gerechtvaardigd, omdat de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdswinst leidt en voor een tijdige tenuitvoerlegging van de straf zorgt. Dit is in het algemene belang van een effectieve strafrechtspleging.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een straf op te leggen conform de vordering van de officier van justitie.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer negen maanden schuldig gemaakt aan handel in harddrugs, voorbereidingshandelingen ten behoeve daarvan, en het deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft om te handelen in harddrugs. De verdachte heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de handel in verdovende middelen. De grootschalige handel in harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld dikwijls niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot de drugshandel. Daarnaast is algemeen bekend dat het gebruik van drugs een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en kan leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte op 28 mei 2020 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, wegens overtreding ven de Opiumwet.
Procesafspraken
De rechtbank heeft acht geslagen op het afdoeningsvoorstel en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een matiging van de strafeis gerechtvaardigd is nu de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdwinst leidt. De rechtbank overweegt dat de tijdswinst met betrekking tot een snellere behandeling van de zaak gelegen is in het feit dat met een inhoudelijke behandeling van een halve dag kon worden volstaan. Gezien het omvangrijke dossier had dit zonder procesafspraken tot gevolg gehad dat een inhoudelijke behandeling van langere duur noodzakelijk zou zijn geweest. Verder is veel winst gelegen in het voorkomen van een (volledige) behandeling van de zaak in hoger beroep. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen geen rechtsgeldige manier is om afstand te doen van dat rechtsmiddel. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de vraag of belang bestaat bij dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig het afdoeningsvoorstel zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk indien de rechtbank de overeengekomen straf zou opleggen. Zo bezien, leiden de procesafspraken dus tot een efficiencywinst. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken, weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Al het voorgaande afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de overeengekomen straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. De overeengekomen straf dient in voldoende mate de met bestraffing te dienen doelen van vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive.

8.Beslag

Uit de schriftelijke procesafspraken blijkt dat de verdachte afstand doet van alle onder hem in beslag genomen goederen. De rechtbank zal dus geen beslissing over het beslag nemen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank zal conform de procesafspraken de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/837157-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen toewijzen en omzetten naar een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10, 10 a en 11b van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, 10, vierde lid, 10, vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde lid, 11, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
600(
ZESHONDERD)
DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
347 (DRIEHONDERDZEVENENVEERTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie met parketnummer 09/837157-20 toe en gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van de door de politierechter in deze rechtbank d.d. 28 mei 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen, gewezen onder parketnummer 09/837157-20, de tenuitvoerlegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2026.