Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.16836
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 50 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 447e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vreemdelingenbewaring ondanks overschrijding ophoudingstermijn

Eiser werd op 25 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, nadat hij was staandegehouden als bijrijder in een auto met een kapot licht. Eiser voerde aan dat hij langer dan zes uur was opgehouden en dat de bewaring onrechtmatig was, mede omdat hij niet de tijd had gekregen om zelfstandig te vertrekken na de afwijzing van zijn asielaanvraag.

De rechtbank stelde vast dat de ophoudingstermijn met vijf minuten was overschreden, wat een gebrek opleverde, maar dit werd als relatief gering beoordeeld en vormde geen reden om de bewaring op te heffen. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding verband hield met een algemene politietaak en niet met vreemdelingenrechtelijke aanhouding.

Verder werd geoordeeld dat de zware en lichte gronden voor bewaring terecht waren aangevoerd, ondanks dat eiser bezwaar maakte tegen de toepassing van sommige gronden. De rechtbank vond dat er geen minder ingrijpende, doeltreffende maatregelen mogelijk waren en dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister werd veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks een overschrijding van de ophoudingstermijn met vijf minuten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16836

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Bij besluit van 25 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M. Ates. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op zitting heeft verweerder lichte grond 4a laten vallen.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Volgens het proces-verbaal van aanhouding zat eiser als bijrijder in een auto die werd staandegehouden vanwege een kapot licht. Eiser werd om zijn identiteitsbewijs gevraagd omdat hij zich afzijdig hield en oogcontact probeerde te vermijden. Eiser vindt dat er sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding. Verder is eiser langer dan zes uur opgehouden en heeft hij langer dan 24 uur op het politiebureau verbleven. Ten aanzien van de zware gronden 3b en 3c voert eiser aan dat verweerder ten onrechte uitgaan van 29 oktober 2025, de datum van de beslissing op de asielaanvraag, omdat hij daarna nog tegen het besluit heeft geprocedeerd. Daarbij is eiser al zo lang in Nederland en in procedure dat het niet evenredig meer is om zware grond 3a tegen te werpen. Ten aanzien van lichte grond 4c voert eiser aan dat hij in het AZC verbleef en ingeschreven stond in de BRP. Ten aanzien van lichte grond 4d voert eiser aan dat hij nog wel voldoende middelen van bestaan had toen hij nog mocht werken. Tot slot voert eiser aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eisers beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is op 9 maart 2026 door de rechtbank ongegrond verklaard. Eiser is al op 25 maart 2026 in bewaring gesteld. Hij heeft dus niet de tijd gekregen om zelfstandig uit Nederland te vertrekken. Bovendien wil hij wel vertrekken, maar niet naar Turkije omdat hij daar nog een gevangenisstraf moet uitzitten.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Vreemdelingrechtelijke aanhouding
5. De rechtbank stelt vast dat eiser is overgenomen na strafrechtelijke heenzending. Eiser was staande gehouden op verdenking van overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is niet bevoegd een oordeel te vellen over het strafrechtelijk voortraject, omdat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. [1] Daarbij zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser op grond van de Vw 2000 staande is gehouden. Uit het proces-verbaal van bevindingen [2] blijkt dat eiser als passagier was aangetroffen in een auto met slecht werkende verlichting en dat hij contact met de betrokken politieagent probeerde te vermijden. De rechtbank is het met verweerder eens dat de staandehouding van eiser verband houdt met de uitoefening van een algemene politietaak, in dit geval het handhaven van de verkeersveiligheid.
Te lang opgehouden
6. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat eiser op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Dit volgt uit paragraaf A2/2.5 van de Vreemdelingencirculaire. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 25 maart 2026 om 08.56 uur. Eiser is op diezelfde datum om 15:01 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 5 minuten. Dit heeft verweerder ook erkend. Gelet hierop is sprake van een gebrek.
6.1.
De ernst van het gebrek is relatief gering, omdat de termijn van ophouding met vijf minuten is overschreden. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om de bewaring op te heffen. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 november 2022. [3]
Niet langer dan 24 uur op het politiebureau
7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 maart 2026 om 15:01 uur in bewaring is gesteld en op 26 maart 2026 om 9:24 de politiecel heeft verlaten. Dat is minder dan 24 uur. Gelet hierop kan het betoog van eiser niet slagen.
Gronden bestreden
8. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van zware grond 3a niet in geschil is dat deze feitelijk juist is. De vraag of het redelijk of evenredig is dat deze nog wordt tegengeworpen is daarbij niet van belang. Over zware grond 3c oordeelt de rechtbank dat ook als uitgegaan wordt van het moment dat met de uitspraak op 9 maart 2026 duidelijk is geworden dat verweerder op 29 oktober 2025 terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod heeft opgelegd, eiser sindsdien niet alles in het werk heeft gesteld om hier zo snel mogelijk gevolg aan te geven. Daarnaast zijn ook de gronden 4c en 4d op goede gronden tegengeworpen.
Lichter middel
9. Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 zijn de genoemde gronden in beginsel al voldoende om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking van het toezicht aan te nemen. Verweerder heeft zich in het licht hiervan terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat er nog maar relatief korte tijd duidelijkheid is over zijn asielaanvraag doet hier niet aan af, mede nu eiser niet zo snel als mogelijk asiel heeft aangevraagd en enige tijd illegaal in Nederland heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor het opleggen van een lichter middel.
Conclusie
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten gelet op het hiervoor onder 6 en 6.1 gesignaleerde gebrek en de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018 zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten. [5] . Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5013.
2.PV-nummer PL1500-2026102468-2.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.