AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens niet-bestendig verblijf in Nederland
Eiser, van Hongaarse nationaliteit, werd op 20 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat hij sinds november 2024 daadwerkelijk en effectief zijn verblijf in Nederland had beëindigd en bestendig verblijf in Hongarije had opgebouwd, onder meer door werk in een fabriek, inschrijving bij zijn ouders en een zorgverzekering. Hij stelde zich in bewijsnood te bevinden vanwege zijn detentie.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van bestendig verblijf in Hongarije, zoals loonstroken of andere documenten, en dat hij geen redelijke pogingen had gedaan om dit bewijs te verkrijgen. Het enkele feit dat eiser langer in Hongarije verbleef dan voorheen was onvoldoende om bestendig verblijf aan te nemen. De rechtbank verwierp ook het standpunt dat verweerder meer onderzoek had moeten doen.
Verder werd geoordeeld dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats had in Nederland, aangezien verblijf bij de nachtopvang niet als zodanig geldt. Verweerder mocht daarom ook lichte gronden tegenwerpen. De rechtbank vond dat de maatregel van bewaring proportioneel en noodzakelijk was, mede gelet op de voortvarendheid van verweerder bij het regelen van het vertrek van eiser.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
2. Eiser stelt van Hongaarse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op zitting heeft verweerder lichte grond 4a laten vallen.
4. Eiser voert aan dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser is op 5 november 2024 voor het laatst uitgezet. In Hongarije heeft hij bestendig verblijf gehad, omdat hij geruime tijd in een fabriek heeft gewerkt en bij zijn ouders ingeschreven stond. Ook heeft hij in Hongarije een zorgverzekering. Daarom is de grondslag van de maatregel onjuist en zijn de zware gronden 3a en 3c ten onrechte tegengeworpen. Daarbij verkeert eiser in bewijsnood om zijn bestendig verblijf in Hongarije aan te tonen, omdat hij is gedetineerd en zijn mogelijkheden daardoor beperkt zijn. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat dat hij wel over een geldig paspoort beschikt en dat hij niet wist dat hij een melding moest maken bij de korpschef toen hij weer in Nederland kwam. Over lichte gronden 4c en 4d voert eiser aan dat hij bij [instantie] verblijft en dat daar ook nachtopvang aanwezig is. Verder helpt hij daar met klusjes waar hij geld voor krijgt. Ook maakt zijn vader wekelijks 50 euro over vanuit Hongarije. Daarnaast handelt verweerder onvoldoende voortvarend. Verweerder had onderzoek moeten doen naar de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn verblijf in Hongarije. Tot slot had verweerder aan eiser een lichter middel kunnen opleggen. Verweerder kan als borg eisers paspoort innemen en eiser kan bij de dag- en nachtopvang [instantie] verblijven.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en sinds zijn laatste uitzetting in Hongarije bestendig verblijf heeft opgebouwd. Van eisers arbeid in de fabriek en verblijf bij zijn ouders zijn geen documenten overgelegd. Dit klemt temeer omdat eiser wel stelt loonstroken te hebben en een zorgverzekering. Weliswaar zijn eisers mogelijkheden beperkt omdat hij gedetineerd is, maar niet is gebleken dat hij enige poging heeft ondernomen, al dan niet met behulp van zijn gemachtigde, om de loonstroken of ander bewijs te bemachtigen. Van bewijsnood is daarom geen sprake. Eiser is eerder uitgezet op 2 september 2024 en op 14 oktober 2024. Weliswaar is eiser nu langer in Hongarije gebleven dan voorheen, maar dat neemt niet weg dat eiser met dat enkele feit nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die periode bestendig verblijf heeft gehad in Hongarije, hetgeen wel op zijn weg ligt. De stelling dat verweerder hier meer onderzoek naar had moeten doen, volgt de rechtbank dan ook niet.
7. Mede gelet op het voorgaande heeft verweerder de zware gronden 3a en 3c mogen tegenwerpen. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw 2000 slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP [1] , of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. [2] Verblijf bij de opvang [instantie] valt niet hier onder, ook niet als eiser daar regelmatig komt. Eiser verblijft immers juist bij [instantie] omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Verweerder heeft daarom ook lichte grond 4c tegen mogen werpen.
8. Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 zijn de genoemde gronden in beginsel al voldoende om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking van het toezicht aan te nemen. Verweerder heeft zich in het licht hiervan terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
9. Ten aanzien van de voortvarendheid heeft verweerder aangegeven dat op 23 maart 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Op 25 maart 2026 is de LP-aanvraag doorgezonden aan de Hongaarse autoriteiten, die op 26 maart 2026 is geaccordeerd. Dezelfde dag is een vlucht aangevraagd voor 3 april 2026. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hier uit dat verweerder voldoende voortvarend handelt.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5036, onder 2.1.4.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.