ECLI:NL:RBDHA:2026:877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.25791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30a VwArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag uit Congo wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiseres, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, heeft op 27 september 2023 haar derde asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 6 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de overgelegde documenten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die een ander besluit rechtvaardigen.

De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 behandeld en beoordeelt dat het bestreden besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen, ondanks het ontbreken van een handtekening. De minister heeft terecht geoordeeld dat de overgelegde "convocations" en krantenartikelen geen nieuwe elementen bevatten. De authenticiteit van sommige documenten kon niet worden vastgesteld, en de minister heeft de landeninformatie van Canada zwaarder gewogen dan de brief van drie Congolese advocaten.

Verder is vastgesteld dat de minister niet verplicht was ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro bij deze herhaalde asielaanvraag. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de derde asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25791

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
burger van de Democratische Republiek Congo,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit om eiseres’ asielaanvraag, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, [1] niet-ontvankelijk te verklaren. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 september 2023 haar derde asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de zitting van 21 juli 2025. Eiseres heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden, omdat zij in afwachting was van stukken van haar advocaat in de DRC. [2] De rechtbank heeft daarop besloten het beroep aan te houden.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 samen, met het verzoek om een voorlopige voorziening, [3] op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft eerder op 27 november 2012 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij meerdere malen en gedurende een lange periode telefonisch is bedreigd door Combattants vanwege haar werk voor de regering. Tegelijkertijd stelde eiseres dat zij ook in de negatieve belangstelling van de regering stond, vanwege haar vermeende banden met generaal Munene. Hierom zou eiseres op een dag in september 2011 zijn ontvoerd. De minister heeft dit niet geloofwaardig geacht en de aanvraag bij besluit van 4 april 2013 afgewezen. Het beroep van eiseres tegen dit besluit is bij uitspraak van 10 oktober 2013 door deze rechtbank ongegrond verklaard. [4] Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de Afdeling [5] deze uitspraak bevestigd. [6]
3.1.
Op 9 februari 2015 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, namelijk originele documenten afkomstig uit de DRC. Eiseres overlegt een oproep van ANR van 10 september 2014 en een oproep van de politie van 18 september 2014. Hieruit volgt volgens eiseres dat zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft de minister de herhaalde asielaanvraag afgewezen, omdat de authenticiteit van de door eiseres overgelegde documenten niet is vast te stellen en nieuwe elementen of bevindingen ontbreken. Ook is het eerder aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit herhaald en is aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 5 maart 2015 [7] , door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
3.2.
Eiseres heeft inmiddels haar derde asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag van 27 september 2023 heeft zij een “convocation” van 14 november 2022 en een “convocation” uit 2014 ten grondslag gelegd. Verder stelt eiseres dat er een krantenartikel over haar is verschenen in 2022, waaruit ook blijkt dat ze nog steeds wordt gezocht. Eiseres heeft in de zienswijze ook een brief van drie advocaten uit de DRC overgelegd ter onderbouwing van de manieren waarop een “convocation” in de DRC wordt gebruikt. Eiseres overlegt daarnaast in de zienswijze een krantenartikel uit het blad Le Dialoque van 25 januari 2025 en een kopie van een AVIS de recherches van 23 februari 2023.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft met het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid aanhef en onder d van de Vw. De door eiseres overgelegde stukken en haar verklaringen kunnen niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die aanleiding geven tot een ander oordeel dan in het besluit van 11 februari 2015. De minister merkt daartoe op dat de “convocation” uit 2014 al bij de vorige asielaanvraag van eiseres is beoordeeld. Ook de “convocation” uit 2022 werpt geen nieuw licht op het asielrelaas van eiseres. Daartoe acht de minister van belang dat uit landeninformatie van het Immigration and Refugee Board van Canada is gebleken dat “convocations” worden gebruikt om getuigen op te roepen en niet verdachten. Uit de “convocation” van 2022 volgt dan ook niet dat eiseres wordt gezocht. Bovendien wordt in het stuk geen reden gegeven waarom eiseres wordt opgeroepen, zodat ook daaruit niet volgt dat eiseres heeft te vrezen. Daar komt bij dat eiseres de krant uit 2022 niet heeft overgelegd en ook geen vindplaats heeft gegeven van de opsporingsoproep dat zou zijn verschenen. Ten aanzien van het online artikel uit 2025 stelt de minister dat het bevreemdend is dat het stuk online niet is terug te vinden. En omdat het een kopie betreft kan de minister de betrouwbaarheid van het document niet onderzoeken. De minister meent verder dat het stuk AVIS de recherches van 23 februari 2023 niet kan leiden tot een ander oordeel. De brief van de advocaten is volgens de minister geen objectief verifieerbare bron en de advocaten verwijzen in hun brief ook niet naar objectief verifieerbare bronnen.
4.1.
De minister stelt dat in deze herhaalde asielaanvraag niet aan artikel 8 van Pro het EVRM [8] behoeft te worden getoetst op grond van artikel 3.6a van het Vb. [9] Eiseres kan daartoe een afzonderlijke aanvraag indienen.
Herhaling zienswijze
5. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Is het bestreden besluit op de juiste manier tot stand gekomen?
6. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldig manier tot stand is gekomen dan wel dat niet duidelijk is of er sprake is van een echt besluit, omdat het bestreden besluit niet is ondertekend en er geen naam van de medewerker onder het besluit staat vermeld.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek kleeft aan het besluit. In het bestreden besluit is geen sprake van een ondertekeningsmandaat in de zin van artikel 10:11 van Pro de Awb, [10] maar van een - regulier- afdoeningsmandaat in de zin van artikel 10:1 van Pro de Awb. In deze situatie is ondertekening niet verplicht. [11] Daar komt bij dat het voor eiseres wel mogelijk is om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het besluit staat, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, wel degelijk de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Ook volgt uit het colofon van het besluit voldoende duidelijk dat de beslismedewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming, A&B Bedrijfsbureau Den Bosch. Een handtekening van deze beslismedewerker voegt hier niets aan toe. Ook zonder handtekening is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiseres. Er is dan ook geen sprake van een gebrek. Deze grond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte de “convocations” niet aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden?
7. Eiseres betoogt dat de minister aan een artikel van Canada, IRB van maart 2022 refereert, waaruit zou blijken dat een “convocation” wordt gebruikt om getuigen op te roepen en niet verdachten. De minister heeft niet aangegeven waar in dit stuk deze informatie te vinden is. Volgens eiseres kan er dan ook geen waarde toekomen aan dit artikel. Bovendien blijkt volgens eiseres uit eventuele landeninformatie alleen hoe de zaken wettelijk zijn geregeld en is er geen onderzoek gedaan naar de praktijk. Eiseres stelt dat ook met een “convocation” verdachten opgeroepen worden, maar dat “convocations” worden gebruikt om het te laten lijken dat ze alleen moeten komen als getuige. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een brief van drie Congolese advocaten overgelegd.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de minister de vindplaats van de landeninformatie niet heeft opgenomen. Uit het bestreden besluit en het voornemen blijkt duidelijk waar de landeninformatie te vinden is. Ook blijkt uit de landeninformatie voldoende duidelijk dat het gaat om “convocations” in de DRC en dat “convocations” worden gebruikt om getuigen op te roepen.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet ten onrechte de landeninformatie van Canada van maart 2022 zwaarder heeft laten wegen dan de brief van de drie advocaten uit de DRC. Nog los van de vraag of de brief heeft te gelden als afkomstig van een objectieve bron, is in de brief de stelling, dat “convocations” worden gebruikt voor het oproepen van verdachten, niet onderbouwd. Niet is aangegeven waarop deze stelling is gebaseerd en of dit in het geval van eiseres ook zo is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte de krantenartikelen niet aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden?
8. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM, dan wel artikel 4 van Pro het Handvest. [12] Eiseres verwijst naar het door haar bij de zienswijze overgelegde online artikel van Le Dialoque van 25 januari 2025. Daarnaast heeft eiseres ter onderbouwing van haar vrees in beroep alsnog een fysieke krant van 12 augustus 2025 overgelegd. Eiseres stelt dat zij dat laatste document voor onderzoek heeft opgestuurd naar de minister, maar dat het niet op echtheid is onderzocht, althans zij heeft geen verklaring van onderzoek ontvangen. Eiseres heeft verzocht Bureau Documenten als getuige op te roepen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op 8 januari 2026 de verklaring van onderzoek aan het dossier heeft toegevoegd. Uit deze verklaring blijkt dat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen voor wat betreft de echtheid van het document van
12 augustus 2025 vanwege het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling doen zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voor, als de authenticiteit van de documenten waarmee de vreemdeling dit wenst aan te tonen, niet is vastgesteld. De bewijslast hiervan ligt bij de vreemdeling. De minister kan hierin tegemoet komen, maar dat doet niet af aan de bewijslast. [13] In het geval van eiseres is de minister haar tegemoet gekomen, doordat het document is voorgelegd aan Bureau Documenten. Eiseres heeft geen contra-expertise ingediend. De rechtbank ziet naar aanleiding van de inhoud van het onderzoek geen aanleiding om Bureau Documenten op te roepen om te getuigen over het gedane onderzoek.
8.2.
Ten aanzien van de krantenartikelen overweegt de rechtbank verder als volgt. Het krantenartikel uit 2022 is helemaal niet overgelegd door eiseres, dit kan alleen al daarom niet leiden tot een ander oordeel. De minister heeft bovendien op de zitting toegelicht dat de artikelen van 25 januari 2025 en 12 augustus 2025 qua inhoud met elkaar overeenkomen en niet passen bij het feit dat eiseres al 13 jaar in Nederland is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres overgelegde documenten geen nieuwe elementen of omstandigheden zijn die tot een andersluidend besluit leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een beoordeling moeten maken op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
9. Volgens eiseres had de minister moeten beoordelen of ze op grond van haar huwelijk een verblijfsvergunning kan krijgen. Eiseres is namelijk getrouwd, waardoor schending van artikel 8 van Pro het EVRM dreigt.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden is om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. Als eiseres een beroep wil doen op artikel 8 van Pro het EVRM, dan kan zij daar een aparte aanvraag voor indienen.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.de Democratische Republiek Congo.
3.Zaak NL25.25792.
4.Zaak AWB 13/11690.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zaak nr. 201310176/1/V2.
7.AWB 15/2779.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Algemene wet bestuursrecht.
11.Dat sprake is van een afdoeningsmandaat volgt uit het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022.
12.Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
13.Zie onder meer de uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3804.