Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 26 april 2024, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 29 januari 2026 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaardtermijn van twee weken, vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het overschrijden van deze termijn.
Verder wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en de aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 2 april 2026.