ECLI:NL:RBDHA:2026:826

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25-7612
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 22.26 OmgevingsplanArt. 22.29 OmgevingsplanArt. 22.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening geschorst omgevingsvergunning uitbreiding melkveestal wegens motiveringsgebrek

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een melkveestal aan een adres in Midden-Delfland. Verzoekster, de Midden-Delfland Vereniging, betwist de vergunning en voert meerdere gronden aan, waaronder strijd met het bestemmingsplan en onduidelijkheid over de beoordeling door het college.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar van verzoekster ontvankelijk is en dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat vergunninghoudster al is gestart met de bouw en onomkeerbare gevolgen dreigen. Het college heeft het bouwplan ten onrechte getoetst aan een niet-juridisch bindend bestemmingsplan, maar dit gebrek kan naar verwachting in de bezwaarfase worden hersteld.

Echter, het college heeft niet duidelijk gemaakt of en hoe het bouwplan is getoetst aan artikel 3.1, aanhef en onder b, van het geldende bestemmingsplan, en er ontbreekt verwijzing naar advies van een landschapsdeskundige en de commissie omgevingskwaliteit. Dit leidt tot een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek dat niet kan worden uitgesloten dat het in bezwaar kan worden hersteld.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en schorst de omgevingsvergunning tot twee weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter op 19 januari 2026.

Uitkomst: De omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de melkveestal wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7612

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2026 in de zaak tussen

Midden-Delfland Vereniging, te Schipluiden, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Landbouwbedrijf Dijkpolder B.V.,te Maassluis (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een melkveestal.
Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar voorlopig oordeel moet worden betwijfeld of de verleende omgevingsvergunning in bezwaar in stand zal kunnen blijven, omdat daaraan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een melkveestal aan de [adres] te [plaats]
.Deze omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten “Bouwactiviteit (omgevingsplan)” en “Bouwactiviteit (technisch)”. De bestaande stal met een oppervlak van 1836 m2 wordt uitgebreid tot 3592 m2. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] en [naam 4] namens verzoekster en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Uit een e-mailbericht van het college van 23 december 2025 en uit hetgeen op zitting is besproken, blijkt dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van het bouwplan. Vergunninghoudster is niet bereid met (verdere) uitvoering van de werkzaamheden te wachten tot na het besluit op bezwaar. Het college heeft op zitting kenbaar gemaakt dat nog niet bekend is wanneer een besluit op bezwaar zal worden genomen. Gelet hierop en nu bij verdere uitvoering van de werkzaamheden sprake is van gevolgen die zich bezwaarlijk ongedaan laten maken, heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.
Ontvankelijkheid bezwaar
4. Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het bezwaar van verzoekster te laat is ingediend en dat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Ter zitting heeft het college echter toegelicht dat het is teruggekomen van dit standpunt en dat het bezwaar van verzoekster inhoudelijk zal worden beoordeeld. Vaststaat dat de omgevingsvergunning is verleend op 24 juli 2025, maar dat deze pas op 27 augustus 2025 is gepubliceerd in het Gemeenteblad. Niet in geschil is dat verzoekster vóór die datum niet op de hoogte kon zijn van de omgevingsvergunning. Verzoekster heeft op 15 september 2025 bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Gelet hierop gaat ook de voorzieningenrechter ervan uit dat het bezwaar niet verwijtbaar te laat is ingediend en dat het college hierop een inhoudelijk besluit dient te nemen. Steun voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024. [1] Dat betekent dat er geen aanleiding is om het verzoek af te wijzen op de grond dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Gronden van het verzoek
5. Verzoekster betoogt dat onduidelijk is of met de omgevingsvergunning ook een bouwkundige wijziging van het noordelijke gebouw (de werktuigenberging) op het perceel en een functiewijziging van dat gebouw naar een veestal is vergund.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning alleen betrekking heeft op de uitbreiding van de melkveestal en niet ziet op de werktuigenberging. Dat blijkt afdoende uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken en is ter zitting bevestigd door het college. Deze grond slaagt daarom niet.
Beoordelingskader
6. Voor het beoordelen van de overige gronden van het verzoek zijn de volgende bepalingen van belang.
6.1.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Midden-Delfland (het omgevingsplan).
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Is het bouwplan in strijd met het omgevingsplan?
7. Verzoekster voert aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 3.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, omdat het hier niet om een agrarisch bedrijf gaat zoals daar bedoeld, maar om een zogenaamde demonstratieboerderij met een licht industriële functie.
7.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college het bouwplan in het bestreden besluit heeft getoetst aan het bestemmingsplan [bestemmingsplan 1]. Dit is echter geen door de gemeenteraad bij besluit vastgesteld bestemmingsplan. Ook in de toelichting bij dit document wordt uiteengezet dat geen sprake is van een stuk met een juridisch bindende status, maar dat het gaat om een werkdocument waarin ten behoeve van de overzichtelijkheid de diverse toepasselijke bestemmingsplannen gezamenlijk zijn weergegeven. Voor de juridisch bindende regels en verbeelding dient blijkens de toelichting te worden teruggevallen op het moederplan [bestemmingsplan 2], inclusief de herzieningen en wijzigingen daarvan.
7.2
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [bestemmingsplan 3], zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2020. Op de verbeelding bij dat plan is op het perceel uitsluitend de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 4” zichtbaar. Uit de toelichting bij dit bestemmingsplan blijkt echter dat op de verbeelding slechts de dubbelbestemmingen zijn weergegeven die zijn gewijzigd ten opzichte van bestemmingsplan [bestemmingsplan 2]. Als op een locatie uitsluitend een dubbelbestemming zichtbaar is, betekent dit volgens de toelichting dat de onderliggende enkelbestemming uit bestemmingsplan [bestemmingsplan 2] op deze locatie van toepassing is gebleven. Voor het betrokken perceel zou dit betekenen dat de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” die in bestemmingsplan [bestemmingsplan 2] aan deze locatie is toegekend, van toepassing is. Met betrekking tot die bestemming gelden wel de regels zoals die zijn herzien met bestemmingsplan [bestemmingsplan 3].
7.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat die enkelbestemming van toepassing is en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan het bestemmingsplan [bestemmingsplan 1] geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen. Het gaat hier om een gebrek dat naar verwachting in de bezwaarfase kan worden hersteld. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de bestemming “Agrarisch met waarden”, waarvan het college is uitgegaan, overeenkomt met deze bestemming in het bestemmingsplan [bestemmingsplan 3].
8. Ingevolge artikel 3.1 van het bestemmingsplan [bestemmingsplan 3] zijn de voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden onder meer bestemd voor:
de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid Pro 1.10 onder b, met dien verstande dat bestaande paardenfokkerijen zoals genoemd in artikel 1 lid Pro 1.10 onder c tevens zijn toegestaan;
het behoud en herstel van landschaps- en cultuurhistorische waarden in de vorm van:
1. open weidelandschap;
2. karakteristiek slotenpatroon;
3. verkavelingspatroon;
4. zichtlijnen;
5. karakteristieke boerderijopritten;
6. verbinding tussen stad en platteland;
7. kreekruggen;
8. historische kades
9. terpen;
10. kerkenpaden;
11. kasteelwerven;
12. molenwerven;
13. de specifieke ruimtelijke kwaliteiten per polder zoals omschreven in het Landschapsontwikkelingsperspectief.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag louter de verlenging van een bestaande melkveestal betreft. Uit de aanvraag blijkt afdoende dat een verlenging van de bestaande stal is aangevraagd met de bedoeling hier melkvee te stallen. Een melkveehouderij is een functie die op grond van artikel 3.1, sub a, van de planregels is toegestaan. Het betoog slaagt daarom niet.
Is het bouwplan in strijd met artikel 3.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan?
9. Verzoekster voert aan dat met de beoogde staluitbreiding de nu nog bestaande openheid van het landschap ter plaatse van boerderij [naam boerderij] in belangrijke mate teniet wordt gedaan. Bij realisatie van het bouwplan ontstaat volgens verzoekster een bouwwerk met een lengte van 90 meter en een hoogte van 9 tot 10 meter. Het zicht vanaf (het begin van) de [straatnaam 1] naar het zuiden (evenwijdig aan de [straatnaam 2]) zal worden afgesneden. Ook het zicht van de [straatnaam 1] naar de [straatnaam 2] ('diagonaal') en vice versa wordt belemmerd. Deze zichtlijnen worden in het Landschapsontwikkelingsperspectief van de gemeente Midden-Delfland als belangrijk aangemerkt, aldus verzoekster.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is opgenomen dat het bouwplan voldoet aan de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Dit standpunt is in dat besluit echter niet nader toegelicht. Of het college met betrekking tot artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels een beoordeling heeft gemaakt, blijkt niet uit het bestreden besluit. Dit betekent naar voorlopig oordeel dat aan het besluit van 24 juli 2025 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Op de zitting heeft het college het standpunt ingenomen dat het bouwplan wel is getoetst aan artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels. Een landschapsdeskundige en de commissie omgevingskwaliteit zouden, na aanpassing van het oorspronkelijke bouwplan, positief over het bouwplan hebben geadviseerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit van deze advisering blijkt en dat hiernaar in het bestreden besluit ook niet wordt verwezen. Dit betekent dat het bij de huidige stand van zaken onduidelijk is of de geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in de bezwaarfase kunnen worden hersteld.
De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen.
10. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de overige gronden van verzoekster te bespreken.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 24 juli 2025 wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dat betekent dat gedurende deze periode van de verleende omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 24 juli 2025 tot twee weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.