ECLI:NL:RBDHA:2026:8251
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak afgewezen
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds 5 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep getoetst vanaf 11 februari 2026, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, omdat de Algerijnse autoriteiten niet reageren op de aanvraag voor een laissez-passer. Verweerder heeft echter aangetoond dat de aanvraag is ingediend en dat er geen aanwijzingen zijn dat de lp niet zal worden afgegeven.
De rechtbank oordeelt dat het belang van verweerder om eiser uit te zetten zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Er zijn geen omstandigheden die het voortduren van de bewaring onrechtmatig maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.