Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
SGR 25/8582
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 102, derde lid WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen UWV over herbeoordeling arbeidsongeschiktheid niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn

Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden heeft op 2 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op haar verzoek van 11 september 2023 om de mate van arbeidsongeschiktheid van een ex-werknemer te herbeoordelen.

Het UWV had uiterlijk op 8 november 2023 moeten beslissen, maar nam geen besluit. Eiseres stuurde op 28 november 2023 een ingebrekestelling, die het UWV op 30 november 2023 ontving. Op 9 februari 2024 gaf het UWV een dwangsombeschikking af. Na de ingebrekestelling volgde echter meer dan twee jaar geen actie van eiseres om een besluit te verkrijgen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep onredelijk laat is ingediend, omdat het meer dan een jaar na het moment van ingebrekestelling is ingediend. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijn van indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8582

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. R.W. Verheul),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen van het Uwv op het verzoek van eiseres van 11 september 2023 om de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van (ex-)werkneemster [(ex-)werkneemster] te herbeoordelen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiseres het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is echter niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [1] Als uitgangspunt geldt dat het beroepschrift onredelijk laat is ingesteld als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. [2]
4. Op 11 september 2023 heeft eiseres een verzoek om herbeoordeling bij het Uwv ingediend. Het Uwv heeft dit verzoek op 13 september 2023 ontvangen. Het Uwv moet binnen acht weken beslissen op het verzoek. [3] Het Uwv had dus uiterlijk op 8 november 2023 moeten beslissen. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiseres op 28 november 2023 een ingebrekestelling verstuurd naar het Uwv. Het Uwv heeft de ingebrekestelling op 30 november 2023 ontvangen. Op 9 februari 2024 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven.
5. Eiseres heeft op 2 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Dat is meer dan twee jaar na het versturen van de ingebrekestelling op 28 november 2023. Van contactmomenten na de ingebrekestelling blijkt uit de stukken niets. Dit betekent dat eiseres vanaf de datum van ingebrekestelling tot het beroep op 2 december 2025 meer dan twee jaar geen actie heeft ondernomen om een besluit op het verzoek te verkrijgen. Ten tijde van het indienen van het beroepschrift was het uitzicht op besluitvorming daardoor al geruime tijd verloren. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
6. Het beroep is gezien het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel.
2.Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, r.o. 3.3.2.
3.Dit staat in artikel 102, derde lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia).