Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/10632 en 24/10633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning bij partner wegens motiveringsgebrek en onvoldoende belangenafweging

Eiseres, een Russische nationaliteit houdende vrouw die sinds 2000 in Nederland verblijft, diende op 26 april 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner, de referent. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking kwam. Tevens werd een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot afwijzing niet in stand kon blijven vanwege een motiveringsgebrek: de lange verblijfsduur van 24 jaar in Nederland werd niet meegewogen in de belangenafweging. Daarnaast werd verweerder opgedragen de huidige medische situatie van de referent, die afhankelijk is van zorg in Nederland, mee te nemen in de belangenafweging.

De rechtbank constateerde dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken, zoals het feit dat eiseres zich nooit aan het toezicht had onttrokken en dat verweerder bekend was met haar langdurige onrechtmatige verblijf zonder uitzetting. De belangenafweging was daardoor niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat binnen zes weken een nieuw besluit moet worden genomen.

Omdat het beroep gegrond werd verklaard, wees de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/10632 en 24/10633
[v nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres en verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. S.S. Jangali),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot afwijzing van een mvv niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 26 april 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ voor verblijf bij haar partner [referent] (hierna: referent).
2.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daarbij heeft verweerder ook een terugkeerbesluit aan eiseres opgelegd.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en referent, de gemachtigde van eiseres, A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3.1.
Eisers is geboren op [geboortedag] 1972 en heeft de Russische nationaliteit. Zij woont sinds 2000 in Nederland. Haar aanvraag is afgewezen omdat zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres komt ook niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking. De uitzetting levert volgens verweerder geen strijd op met het recht op het uitoefenen van het gezins- of privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is een belangenafweging gemaakt en deze belangenafweging is in het nadeel van eiseres uitgevallen. Verweerder ziet geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Belangenafweging
4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er gezinsleven is tussen eiseres en referent. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en is tot de beslissing gekomen dat deze in het nadeel uitvalt van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft onder meer gewezen op de huidige situatie in Rusland en dat zij al lange tijd bekend is bij de politie. Eiseres verblijft al 24 jaar in Nederland en ondanks haar bekendheid heeft verweerder nooit een uitzettingshandeling verricht. Daar komt bij dat referent (die de Nederlandse nationaliteit en een inkomen heeft) wegens medische omstandigheden Nederland niet kan verlaten. Hij is ook afhankelijk van de zorg van eiseres.
4.2.
In de uitspraak van 27 maart 2024 [1] heeft de Afdeling overwogen dat de bestuursrechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Ook heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat de bestuursrechter de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in zijn oordeel over het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend enigszins terughoudend moet zijn.
4.3.
Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft meegewogen dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en een inkomen heeft. In het nadeel van eiseres is meegewogen dat zij het gezinsleven in Nederland is gaan uitoefenen zonder dat zij in het bezit is van een verblijfsvergunning. Ook is in het nadeel van eiseres betrokken dat zij het grootste gedeelte van haar leven in Rusland heeft gewoond, dat zij de taal spreekt en dat zij een zus heeft in Rusland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Rusland uit te oefenen. Verweerder betwist niet dat er oorlog is in Rusland, maar hieruit volgt niet dat eiseres en referent hun gezinsleven niet daar kunnen uitoefenen. Verweerder ziet geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen in de stelling van eiseres dat referent van medische zorg in Nederland afhankelijk is. Er is geen reden om aan te nemen dat deze medische zorg niet mogelijk is in Rusland. Ten aanzien van het recht op privéleven stelt verweerder dat de enkele stelling dat eiseres de afgelopen 24 jaar in Nederland als schoonmaakster heeft gewerkt er niet voor zorgt dat de belangenafweging haar voordeel zou moeten uitvallen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft de belangenafweging niet zorgvuldig gemaakt en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank licht dit hieronder toe en zal daarna uitleggen welke gevolgen dit heeft.
4.5.
De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit niet is vermeld dat eiseres op het moment van de beslissing op bezwaar al 24 jaar in Nederland verbleef. De verblijfsduur als zodanig komt in zijn geheel niet voor in de bestreden beslissing. Nu de lange verblijfsduur niet door de verweerder in de bestreden beslissing wordt genoemd, is dit element niet kenbaar meegewogen in de belangenafweging. Alleen al om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Daar komt bij dat eiseres heeft gesteld dat zij zich nooit heeft onttrokken aan het toezicht van verweerder. Zij voert aan dat verweerder op de hoogte was van haar langdurige onrechtmatige verblijf maar nooit is overgegaan tot uitzetting. De rechtbank constateert dat dit wordt bevestigd door het bestreden besluit waarin staat dat verweerder aan eiseres in 2013 een terugkeerbesluit heeft opgelegd, maar dit nooit aan haar heeft uitgereikt. Hieruit blijkt dat verweerder bekend was met het feit dat eiseres onrechtmatig in Nederland verbleef, maar heeft afgezien van handhaving. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze omstandigheid in het voordeel van eiseres had moeten meewegen. Verweerder dient dit alsnog in de belangenafweging te betrekken.
4.6.
Verweerder dient ook de huidige medische situatie van referent te betrekken in de belangenafweging. Ter zitting is door referent verklaard dat hij sinds 2018 een scala aan klachten heeft waarvoor hij geregeld naar het ziekenhuis moet komen. Ter onderbouwing heeft hij ter zitting een uitdraai van zijn medicatielijst voorgelezen. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij referent niet alleen durft te laten en inmiddels heeft geleerd om hem te reanimeren. Hoewel verweerder niet kan worden tegengeworpen dat deze informatie niet bij het bestreden besluit is betrokken omdat dit pas in beroep naar voren is gekomen, draagt de rechtbank verweerder op om de huidige medische situatie van referent te beoordelen en bij de belangenafweging te betrekken.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering) en artikel 3:2 van Pro de Awb (zorgvuldige voorbereiding). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
5.3.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiseres en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.
5.4.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/10632:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
De voorzieningenrechter:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/10633:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.