Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8208

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/09/691147 / HA ZA 25-769
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:101 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BWArt. 3:113 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfgrens geschil tussen buren bevestigd volgens Kadaster, overige vorderingen afgewezen

Eisers en gedaagden zijn buren met een geschil over de precieze ligging van hun erfgrens. Eisers betwist de recent door het Kadaster vastgestelde grens en vordert onder meer dat de feitelijke grens wordt vastgesteld op basis van eigendom of verjaring, dat gedaagden medewerking verleent aan notariële vastlegging, en dat gedaagden onrechtmatig gedrag staakt en bomen en schutting verwijdert.

De rechtbank oordeelt dat de eigendomsakte van eisers slechts recht geeft op het kadastrale perceel en dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat de Kadastergrens onjuist is. Ook is niet gebleken dat eisers door verjaring eigenaar is geworden van grond die kadastraal tot gedaagden behoort. De vorderingen over onheus gedrag zijn onvoldoende onderbouwd en worden afgewezen.

De vordering tot verwijdering van bomen wordt afgewezen omdat een gemeentelijke verordening een kleinere afstand tot de erfgrens toestaat en de vermeende gevaarlijke boom regelmatig wordt gecontroleerd. De vorderingen tot verwijdering en herplaatsing van de schutting worden afgewezen omdat geen nieuwe erfgrens wordt vastgesteld, maar de rechtbank raadt partijen aan in onderling overleg een schutting op de bestaande erfgrens te plaatsen.

Eisers wordt veroordeeld in de proceskosten, die forfaitair worden vastgesteld, omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht. Het vonnis bevestigt de Kadastergrens als erfgrens en wijst alle overige vorderingen af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de Kadastergrens als erfgrens en wijst alle overige vorderingen van eisers af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/691147 / HA ZA 25-769
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats],2. [eisers sub 2] te [woonplaats],

eisers,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. R.W. de Pater,
tegen

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats],2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats],

gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. J.A.J. Hendriks.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 augustus 2025 met producties 0 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een plaatsopneming en een mondelinge behandeling is bepaald;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming van 3 februari 2026.
1.2.
Aansluitend op de plaatsopneming heeft op 3 februari 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden op het perceel van [eisers] Hierbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Van hetgeen door partijen ter zitting naar voren is gebracht zijn aantekeningen gemaakt door de griffier.
1.3.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen twee weken de gelegenheid gekregen om te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is. Namens [eisers] is op 11 februari 2026 een akte ingediend met daarin een eiswijziging. Namens [gedaagden] is hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft op 17 februari 2026 aan partijen laten weten dat de eiswijziging niet wordt toegestaan omdat dit – kort gezegd – in strijd zou zijn met de goede procesorde. Vervolgens is de vonnisdatum bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eisers] is sinds 30 december 2016 eigenaar van het perceel aan [adres 1], kadastraal bekend [perceel 1].
2.2.
[gedaagden] is sinds 14 februari 1986 eigenaar van het perceel aan [adres 2], kadastraal bekend [perceel 2].
2.3.
De grens tussen [perceel 1] en [perceel 2] loopt in een gehoekte lijn waarbij partijen vijf grenslijnen onderscheiden, die zij hebben genummerd van 1 tot en met 5, zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven.
2.4.
Tussen partijen is een verschil van inzicht ontstaan over de precieze ligging van de erfgrens.
2.5.
In opdracht van beide partijen heeft er op 25 april 2022 een grensreconstructie plaatsgevonden door het Kadaster. De medewerker van het Kadaster heeft hierbij de door hem gereconstrueerde grens met ijzeren buizen gemarkeerd, waarna hij zijn bevindingen aan partijen heeft getoond. De gereconstrueerde grens loopt over een strook grond die in gebruik is bij [eisers]. Vervolgens heeft [gedaagden] aan [eisers] kenbaar gemaakt dat zij op die grens, te weten grenslijn 1, een afrastering wil maken en zij heeft [eisers] verzocht haar zaken van de strook grond te verwijderen.
2.6.
Bij e-mailbericht van 2 mei 2022 heeft [eisers] aan [gedaagden] medegedeeld dat zij de door het Kadaster verrichtte grensreconstructie afwijst. Hierbij heeft [eisers] onder meer aangegeven dat de reconstructie te veel afwijkt van de bij de overdracht in 2016 bekende grenzen en dat de feitelijke grens sinds 1979 afwijkt van de bestaande erfgrens, waardoor sprake is van verjaring.
2.7.
Bij e-mailbericht van 7 mei 2022 heeft [eisers] aan [gedaagden] medegedeeld dat zij voornemens is de (door het Kadaster geplaatste) ijzeren buizen te verwijderen.
2.8.
Bij advocaatbrief van 23 augustus 2022 heeft [gedaagden] [eisers] gesommeerd om de door het Kadaster uitgezette grens te respecteren, de zaken die zich op hun perceel bevinden te verwijderen, te stoppen met het beschadigen van hun eigendommen en hun perceel niet zonder toestemming te betreden.
2.9.
[gedaagden] heeft een kort geding aangespannen tegen [eisers] Bij vonnis van 11 november 2022 van deze rechtbank heeft de voorzieningenrechter onder andere [eisers] verboden om voorwerpen te plaatsen op het perceel van [gedaagden], de aldaar geplaatste zaken - waaronder een afrastering en beplanting - te beschadigen en de ijzeren buizen en/of andere markeringstekens die in het kader van een (nieuwe) grensreconstructie door het Kadaster worden aangebracht te verwijderen, beschadigen of verplaatsen.
2.10.
Op 9 februari 2023 heeft opnieuw een grensreconstructie door het Kadaster plaatsgevonden. [eisers] was daar niet bij aanwezig.
2.11.
Van Noort heeft vervolgens een afrastering op grenslijn 1 geplaatst.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de kadastrale grens zoals deze is vastgesteld conform de bevindingen van 25 april 2022 en 9 februari 2023 van het Kadaster niet de daadwerkelijke grens is tussen de twee percelen van partijen en dat de feitelijke grens zich bevindt op de plaats zoals [eisers] deze vanaf aankoop van het perceel hebben aangetroffen en gebruikt;
II. voor recht verklaart dat [eisers] eigenaar is van de stroken grond – welke stroken grond [gedaagden] zich na de kadastrale meting van 25 april 2022 hebben toegeëigend – op grond van de eigendomsakte dan wel door verkrijgende, althans bevrijdende verjaring;
III. bepaalt dat de erfgrens tussen de percelen van partijen ligt op de locatie zoals [eisers] deze bij koop van het perceel heeft aangetroffen dan wel te bepalen wat de juridische erfgrens is tussen de percelen van partijen;
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan notariële vastlegging van de juridische erfgrens en inschrijving van die erfgrens in het Kadaster, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag waarop [gedaagden] na de betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet;
V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis een einde te maken aan de onrechtmatige toestand, althans de door haar geplaatste afrastering te verwijderen van het perceel van [eisers], althans deze te verplaatsen zodanig dat deze komt te staan tegen de erfgrens zoals bedoeld onder I, met machtiging van [eisers] om dit zelf te bewerkstelligen op kosten van [gedaagden] indien zij niet binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet;
VI. [gedaagden] verbiedt [eisers] te pesten op verbale of non-verbale wijze, dan wel gebruik te maken van geweld waaronder het gooien van voorwerpen en/of spuiten van water dan wel enige andere vorm van pesterij, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of deel daarvan waarop [gedaagden] nalaten aan deze veroordeling te voldoet;
VII. [gedaagden] verbiedt gebruik te maken van de oprit van [eisers], waaronder laden en lossen, op straffe van verbeurte van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 500 per dag of deel daarvan waarop [gedaagden] niet aan deze veroordeling voldoet;
VIII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt vier bomen die zich binnen twee meter te rekenen vanaf de voet van de boom tot de erfgrens bevinden, te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede tot verwijdering van heggen en struiken en beplanting die zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevinden, alsmede tot verwijdering van een zieke boom die dreigt om te vallen op de woning van [eisers], op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of deel daarvan dat [gedaagden] daarmee in gebreke blijft;
IX. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis, medewerking te verlenen aan het verwijderen van de huidige (beschadigde) schuttingdelen op de erfgrens en aan het gezamenlijk oprichten van een nieuwe schutting op de lijnen 1 tot en met 4, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of deel daarvan dat [gedaagden] daarmee in gebreke is;
X. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de helft van de kosten van deze nieuw te zetten schutting, inclusief de kosten van verwijdering van de oude schutting;
XI. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan de vorderingen ten grondslag dat zij op basis van de eigendomsakte, dan wel op basis van verkrijgende verjaring (artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW)) of bevrijdende verjaring (artikel 3:105 lid 1 BW Pro) het eigendomsrecht heeft op de stukken perceel die [gedaagden] zich heeft toegeëigend. Daarnaast dient [gedaagden] zich te onthouden van onheus gedrag in de vorm van pesterijen en het gebruik van de oprit van [eisers] Verder is het op grond van artikel 5:42 BW Pro niet toegestaan bomen binnen een afstand van twee meter van de erfgrens te hebben, zodat die verwijderd dienen te worden. Tevens dient een boom verwijderd te worden die ziek is en dreigt om te vallen en daarmee en gevaarlijks situatie oplevert. Ten slotte dient de beschadigde schutting verwijderd te worden en op de nieuw te bepalen erfgrens een nieuwe schutting geplaatst te worden, waarbij de kosten op grond van artikel 5:49 BW Pro door beide partijen in gelijke delen dienen bij te dragen.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van haar vorderingen., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de werkelijke kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering van [eisers] is onder te verdelen in vorderingen die betrekking hebben op de erfgrens (vorderingen I tot en met V), onheus gedrag (vorderingen VI en VII), de bomen (vordering VIII) en de schutting (vorderingen IX en X). Deze onderwerpen worden door de rechtbank afzonderlijk besproken. Afgesloten wordt met een oordeel over de proceskosten (vordering XI).
De erfgrens (vorderingen I tot en met V)
4.2.
De kadastrale grens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] bestaat uit vijf lijnen, die op de in 2.3 weergegeven tekening als zwarte lijnen zijn weergegeven en zijn genummerd 1 t/m 5. [eisers] stelt dat haar perceel op basis van de eigendomsakte, dan wel verjaring, groter is dan deze zwarte lijnen momenteel weergeven. De perceelsgrens zoals die volgens haar gelden, zijn in de in 2.3 weergegeven tekening als gekleurde lijnen ingetekend.
4.3.
Op grond van de leveringsakte heeft [eisers] op 30 december 2016 [perceel 3] (ter grootte van 17,60 are) geleverd verkregen. Dit perceel is in 2021 gesplitst in de huidige [perceel 1] (van 17,38 are) en [perceel 4] (van 0,22 are). [eisers] is derhalve eigenaar geworden van een perceel grond met een bepaalde kadastrale aanduiding en aan haar is bij levering niet meer geleverd dan dat stuk grond. De eigendomsakte geeft [eisers] daarom enkel recht op het perceel binnen die kadastrale grenzen. [eisers] heeft niet onderbouwd waarom de erfgrenzen zoals die door het Kadaster zijn gereconstrueerd, onjuist zou zijn. De vorderingen van [eisers] met betrekking tot de erfgrens kunnen dus niet op basis van de eigendomsakte worden toegewezen.
4.4.
[eisers] zou wel op basis van verjaring eigenaar kunnen zijn van stroken grond die niet tot zijn kadastrale perceel behoren. Van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW Pro is sprake als een bezitter te goeder trouw een goed gedurende een onafgebroken periode van tien jaar bezit. Een bezitter die niet te goeder trouw is, kan door bevrijdende verjaring eigenaar worden van een goed, zo volgt uit artikel 3:105 lid 1 BW Pro. Hij verkrijgt het goed als hij het bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. De in artikel 3:105 BW Pro bedoelde verjaringstermijn bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro). De verjaringstermijnen van de artikelen 3:99 BW en 3:105 BW beginnen te lopen als sprake is van bezit (artikel 3:101 BW Pro). Artikel 3:107 BW Pro omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Hieronder moet worden verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de bedoeling rechthebbende te zijn. Het houden voor zichzelf sluit uit dat een ander als rechthebbende wordt erkend.
4.5.
Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld (artikel 3:107 BW Pro). Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich feitelijke macht over het goed verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW Pro). Uit vaste jurisprudentie volgt dat de machtsuitoefening zodanig moet zijn dat daardoor naar verkeersopvatting het bezit van de ander teniet wordt gedaan. Bezit moet voor derden voldoende kenbaar zijn, wat onder meer betekent dat de rechthebbende uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen objectief gezien moet kunnen opmaken dat zijn eigendomsrecht wordt bedreigd. Er is namelijk anders geen reden voor de rechthebbende om actie te ondernemen. Uit de handelingen moet een ondubbelzinnige intentie naar buiten blijken om de zaak voor zichzelf te houden. Het laten aanvangen van bezit vereist een daad van inbezitneming van degene die zich op verjaring beroept. Daarnaast is uitsluitend geen gebruik meer maken van het betwiste perceel(sgedeelte) voor bezitsverlies onvoldoende. Voor bezitsverlies is immers kennelijk prijsgeven vereist (artikel 3:117 lid 1 BW Pro). Voor bezit van (een gedeelte van) een onroerende zaak, die kadastraal als eigendom van een ander te boek staat, is meer nodig dan het plegen van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen. [1] In het vervolg van dit vonnis zal de rechtbank voor de afzonderlijke grenslijnen 1 tot en met 5 beoordelen of [eisers] door middel van verjaring eigenaar is geworden van een groter stuk grond dan in de huidige situatie het geval is.
4.6.
Voor lijn 1 geldt het volgende. [eisers] stelt dat het door haar gevorderde stuk grond sinds 1980 in gebruik is geweest door zijn rechtsvoorganger. Er zou op een andere plek dan de huidige door het Kadaster vastgestelde erfgrens een schutting hebben gestaan en aan de kant van [gedaagden] een rij coniferen. Daar waar de coniferen stonden zou de erfgrens moeten zijn, zoals partijen na verwijdering van de coniferen zouden hebben afgesproken en waarvoor zij markeerpunten hebben uitgezet. Voor de rechtbank is dit niet na te gaan: de schutting en coniferen zijn verwijderd en tijdens de plaatsopneming zijn geen markeerpunten aangetroffen. Wel is een kadasterpaaltje aangetroffen op de hoek van de lijnen 1 en 2. Dat paaltje wijst er niet op dat de grens anders zou moeten komen te liggen dan momenteel het geval is. Daarnaast wijst de stelling dat er coniferen stonden op het stuk grond van [gedaagden] er juist op dat dit gedeelte niet door (de rechtsvoorganger van) [eisers] in bezit is genomen. [eisers] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat er in een eerder stadium sprake is geweest van onafgebroken bezit van twintig jaar van dit stuk grond, zodat van bezitsverkrijging op basis van bevrijdende verjaring geen sprake is. Voor de rechtbank is er daarom geen reden af te wijken van de huidige door het Kadaster vastgestelde erfgrens, waarop [gedaagden] een afrastering heeft geplaatst.
4.7.
Lijn 2 is volgens [eisers] momenteel onjuist, hetgeen blijkt uit een roestig paaltje, dat de hoek van de schutting (tot waar lijn 1 loopt) aangeeft. Zoals reeds geoordeeld kan de rechtbank niet vaststellen waar de verwijderde schutting heeft gestaan, zodat ook de locatie van de hoek van die schutting niet is vast te stellen. [eisers] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan zou kunnen blijken dat zij door verjaring eigenaar is geworden van een groter stuk dan de huidige lijn 2 aangeeft.
4.8.
Met betrekking tot het stuk grond dat met lijn 3 wordt gemarkeerd stelt [eisers] dat haar rechtsvoorganger in 1980 een schutting heeft geplaatst op eigen grond tegen de erfgrens aan. Die schutting geeft de juiste erfgrens aan, terwijl lijn 3 daar van afwijkt. [gedaagden] heeft een verklaring van de zoon van de rechtsvoorganger van [eisers] in het geding gebracht. Daarin staat:
“Het is juist dat jaren geleden, mijn vader bij het aanleggen van een nieuwe schutting, deze circa 50 tot 60 centimeter over de erfgrens heeft aangebracht op jullie perceel. De reden hiervoor was het ontbreken van korte (halve) schutting delen. Er is toen in goed overleg besloten deze tijdelijk op jullie grond te plaatsen. Na het overlijden van mijn vader, en toen ik woonachtig was in het achterste huis, hebben wij nogmaals overleg gehad over deze situatie en hebben wij nogmaals afgesproken de oorspronkelijke erfgrens weer aan te houden (de grond weer terug te geven) zodra er iets zou wijzigen of wij een nieuwe schutting zouden plaatsen. Deze grond kan dus niet toebehoren aan de nieuwe eigenaar want deze heeft ook nooit deel uitgemaakt van hun perceel.”
4.9.
De rechtbank leidt hieruit af dat de rechtsvoorganger van [eisers] ten tijde van plaatsing van een schutting met [gedaagden] heeft afgesproken dat de schutting deels op het perceel van [gedaagden] zou worden geplaatst. Een dergelijke afspraak over het gebruik van een stuk grond, staat in de weg aan het aannemen van bezit. Gelet op deze betwisting van [gedaagden] heeft [eisers] onvoldoende gesteld op grond waarvan aangenomen moet worden dat zij deze strook grond in bezit heeft gekregen. Ook voor dit deel gaat de rechtbank daarom uit van de door het Kadaster vastgestelde grens.
4.10.
Vervolgens stelt [eisers] dat op de gekleurd weergegeven lijn 4 op de tekening weergegeven onder 2.3 sinds 1980 een schutting tegen de erfgrens heeft gestaan. Ter onderbouwing heeft hij een foto in het geding gebracht waarop te zien zou moeten zijn dat zich een schutting bevond voor een paal die de grens aangeeft.
4.11.
Tijdens de plaatsopneming heeft de rechtbank geconstateerd dat er twee scheefstaande palen op dit deel van het terrein staan, die destijds volgens [eisers] tot de constructie van de schutting behoorden. In de situatie ter plaatse heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen of deze palen óp of een fractie óver de erfgrens (aan de zijde van [gedaagden]) staan. De door [eisers] overgelegde foto geeft daarover geen uitsluitsel. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is geweest van bezit door (de rechtsvoorgangers van) [eisers] van een stuk grond dat aan [gedaagden] toebehoort. Ook op deze lijn is er dus geen reden om af te wijken van de kadastrale erfgrens.
4.12.
Ten slotte stelt [eisers] dat ter hoogte van lijn 5 in 1958 een stenen afscheidingsmuur op haar perceel is geplaatst. De rechtbank oordeelt dat met deze stelling niet onderbouwd kan worden dat [eisers] bezitter is geworden van een stuk land voorbij de erfgrens. Partijen hebben ook geen discussie over deze lijn, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door het Kadaster vastgestelde grens.
4.13.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [eisers] niet op grond van verjaring bezitter is geworden van enig stuk grond dat kadastraal tot het perceel van [gedaagden] behoort. Dit is ook niet het geval op basis van de eigendomsakte, zodat de kadastrale erfgrenzen hebben te gelden. Dit houdt in dat de vorderingen I tot en met V worden afgewezen.
Onheus gedrag (vorderingen VI en VII)
4.14.
Vorderingen VI en VII zien op het gedrag van [gedaagden] Volgens [eisers] maakt [gedaagden] zich schuldig aan pesterijen, dan wel het gebruik van geweld. Daarnaast maakt [gedaagden] zonder toestemming gebruik van de oprit van [eisers] [gedaagden] betwist deze stellingen.
4.15.
[eisers] heeft in licht van de betwisting daarvan door [gedaagden] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat [gedaagden] zich schuldig heeft gemaakt aan de genoemde gedragingen. Deze vorderingen zijn onvoldoende onderbouwd en worden daarom afgewezen.
De bomen (vordering VIII)
4.16.
[eisers] vordert verwijdering van vier bomen die zich binnen twee meter van de erfgrens bevinden en verwijdering van een zieke boom die een gevaarlijke situatie oplevert. [gedaagden] wijst in dit verband op artikel 4:11b van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van de gemeente Westland. Daarin is opgenomen dat de afstand, als bedoeld in artikel 5:42 BW Pro, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Daarnaast levert de vermeende zieke boom geen gevaarlijke situatie op, aldus [gedaagden]
4.17.
Op basis van artikel 5:42 lid 1 en Pro 2 BW is het niet geoorloofd om binnen twee meter van de erfgrens bomen te hebben, tenzij op grond van een verordening of plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. In dit geval is onbetwist sprake van een dergelijke kleinere afstand op grond van de APV. [eisers] heeft niet gesteld dat de vier bomen zich binnen deze (kleinere) afstand van de erfgrens bevinden, zodat die vordering wordt afgewezen.
4.18.
Voor wat betreft de door [eisers] gestelde gevaarlijke situatie ten aanzien van een zieke boom heeft [gedaagden] gemotiveerd betwist dat hiervan sprake is. De bewuste boom wordt regelmatig gecontroleerd. In een overgelegd rapport van Boomadvies Nederland van 15 december 2023 wordt geconcludeerd dat er, behoudens overmacht, geen verhoogd risico op stambreuk of windworp is. Daarnaast heeft [gedaagden] een offerte van 10 april 2025 overgelegd van [bedrijf] voor het snoeien van deze boom. Deze werkzaamheden hebben volgens [gedaagden] plaatsgevonden, hetgeen door [eisers] niet is betwist. Bij deze stand van zaken heeft [eisers] zijn stelling dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting door het handhaven van de boom onvoldoende onderbouwd. Voor de rechtbank is er daarmee geen grond deze vordering toe te wijzen.
De schutting (vordering IX en X)
4.19.
Vorderingen IX en X gaan – kort gezegd – over het verwijderen van de bestaande schutting(delen) en het plaatsen van een nieuwe schutting op de gekleurde lijnen 1 tot en met 4 (zoals weergegeven op de afbeelding in 2.3) op de aldaar nieuw te bepalen erfgrens, waarvoor beide partijen bij helfte de kosten dienen te dragen.
4.20.
Voor wat betreft het verwijderen van de bestaande schutting(delen) heeft [eisers] niet onderbouwd op grond waarvan deze verwijderd zou(den) moeten worden. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.21.
Voor een nieuw te plaatsen schutting geldt het volgende. Op grond van artikel 5:49 BW Pro kan een eigenaar van een perceel in beginsel vorderen dat de buren meewerken aan het plaatsen van een scheidsmuur op de erfgrens, waarbij zij voor gelijke delen bijdragen in de kosten. In dit geval heeft [eisers] gevorderd dat [gedaagden] meewerkt (en -betaalt) aan de plaatsing van een schutting op de nieuw te bepalen erfgrens. Zoals elders in dit vonnis is bepaald, is er geen reden van de bestaande erfgrenzen af te wijken en nieuwe erfgrenzen vast te stellen. Dit houdt in dat er ook geen reden is een schutting te plaatsen op de “nieuwe” erfgrens. De vordering kan daarom niet worden toegewezen.
4.22.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Gelet op het bepaalde in artikel 5:49 BW Pro is [gedaagden] wel gehouden medewerking te verlenen aan het realiseren van een scheidsmuur op de bestaande erfgrens. Gezien de verhoudingen tussen partijen acht de rechtbank een dergelijke afscheiding van beide percelen bovendien raadzaam. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging om in onderling overleg, eventueel via de advocaten, op gezamenlijke kosten een schutting op de erfgrens te plaatsen.
De proceskosten (vordering XI)
4.23.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. [gedaagden] heeft verzocht [eisers] in de werkelijke proceskosten te veroordelen, omdat zij – kort gezegd – misbruik van procesrecht heeft gemaakt door een evident kansloze procedure te starten.
4.24.
De rechtbank stelt voorop dat een proceskostenveroordeling in beginsel een forfaitaire vergoeding betreft. Onder buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht, kan daar van afgeweken worden. Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Gelet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter, past hierbij terughoudendheid.
4.25.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze hoge drempel niet gehaald en heeft [eisers] geen misbruik van procesrecht gemaakt door onderhavige vordering in te stellen. Dat de vorderingen worden afgewezen houdt niet in dat zij bij voorbaat kansloos waren. Dit houdt in dat [eisers] wordt veroordeeld in de (forfaitaire) proceskosten van [gedaagden], die worden begroot op:
- griffierecht
331
- salaris advocaat
1.306
(2 punten × tarief II van € 653)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af;
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.826, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
3425

Voetnoten

1.zie HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601 en HR 6 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7836.