ECLI:NL:RBDHA:2026:8204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende belangenafweging
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf als gezinslid bij haar vader, een kennismigrant, op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan het gezinsleven van eiseres.
De rechtbank oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven, maar wel dat de belangenafweging onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. De minister heeft niet duidelijk gemaakt hoe het economisch belang, mede vanwege de kennismigrantenstatus van de referent, is meegewogen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van eiseres en haar gezin.
Verder vindt de rechtbank dat het ontbreken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Zuid-Afrika uit te oefenen geen zwaarwegend nadeel kan zijn zonder nadere motivering. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuwe, zorgvuldige belangenafweging te maken binnen zes weken. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging.