Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 26 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij bepaalt dat de minister alsnog binnen een termijn van acht weken na het verstrijken van de maximale beslistermijn van 21 maanden een besluit moet nemen, zijnde uiterlijk 21 juni 2026. Deze termijn acht de rechtbank passend en zorgvuldig.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan door rechter T.F. Bruinenberg en griffier A.W. Landman en is zonder zitting gewezen.