Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 10 november 2023, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 24 februari 2026 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn van 21 maanden heeft overschreden. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij de minister verplicht wordt binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan geen reeds verbeurde dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, tenzij de minister vóór die datum in gebreke was gesteld, wat hier niet het geval is. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober en is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.