Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 23 december 2023 ontvangen, maar de minister had binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 20 februari 2026 in gebreke en diende daarna beroep in, dat ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
De rechtbank kan de hoogte van de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, tenzij de minister vóór die datum in gebreke was gesteld, wat hier niet het geval is. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober op 30 maart 2026 in Utrecht. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen als hij het niet eens is met de uitspraak.