Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 19 maart 2024 ontvangen, maar de minister heeft niet binnen de maximale beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 21 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de aard van het geschil.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober en is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.