Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 april 2024 ontvangen, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiseres stelde de minister op 16 februari 2026 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn van 21 maanden heeft overschreden. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken vast, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank kan echter geen bestuurlijke dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen daarvoor sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn en de minister niet tijdig is beslist noch in gebreke gesteld vóór die datum.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,-, omdat zij een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn gaat.