AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning familie en gezin wegens niet-betaling leges
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, vroeg een verblijfsvergunning aan voor verblijf bij zijn minderjarige zoon op grond van familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRMPro). De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat eiser de leges niet had betaald en geen vrijstelling kon krijgen.
Eiser voerde in beroep aan dat hij recht had op vrijstelling van leges vanwege zijn schrijnende situatie, dakloosheid en psychische problemen, en dat de minister het arrest Chavez-Vilchez niet correct had toegepast. De rechtbank constateerde dat de minister het arrest niet expliciet had beoordeeld, maar dat dit gebrek niet tot schending van belangen leidde omdat reeds een inhoudelijke beoordeling had plaatsgevonden in een eerder besluit.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen gerechtvaardigd beroep op artikel 8 EVRMPro had gedaan, omdat de omgang met zijn zoon beperkt was en hij geen aantoonbare zorg- of opvoedingstaken meer vervulde. Ook was er geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Egypte voort te zetten. De belangenafweging van de minister was voldoende gemotiveerd en rechtmatig.
Omdat eiser niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden voor vrijstelling van leges, mocht de minister de aanvraag buiten behandeling stellen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld wegens niet-betaling van leges.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/17088 en AWB 24/17089
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
(gemachtigden: mr. N.F. van der Gouw en mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Bij besluit van 6 juli 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een reguliere verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ niet in behandeling genomen. Bij besluit van 25 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het beroep stond op 8 juli 2025 op zitting geagendeerd. Omdat er geen tolk aanwezig was, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. N.F. van der Gouw als gemachtigde van verweerder. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser het verweerschrift niet had ontvangen en dat verweerder de aanvullende beroepsgronden van 1 september 2025 niet had ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting nogmaals geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren.
1.5.
Verweerder heeft op 18 september 2025 schriftelijk gereageerd op de nadere beroepsgronden van eiser. Eiser heeft daar op 9 oktober 2025 op gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 17 februari 2026 opnieuw op een nadere zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. L.F. Ludwig als gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft in het verleden een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 5 augustus 2021 ingetrokken. Eiser heeft daarom op 30 november 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend met als doel ‘familie en gezin’ voor verblijf bij zijn minderjarige zoon op grond van artikel 8 vanPro het EVRM. [1]
3. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiser de leges niet heeft betaald. Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van de plicht om leges te betalen, omdat hij onvoldoende heeft aangetoond (op korte termijn) de leges niet te kunnen betalen en omdat hij geen gerechtvaardigd beroep op artikel 8 vanPro het EVRM kan doen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst moest hij vrijgesteld worden van het legesvereiste. [2] Hij heeft voldoende aangetoond dat hij de leges niet kan betalen en heeft een gerechtvaardigd beroep gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM. Verweerder mocht niet van hem verwachten dat hij aantoont dat hij geen beroep kan doen op zijn familie of netwerk om de leges te betalen. Eiser beroept zich op de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 vanPro de Awb [3] vanwege zijn schrijnende situatie. Eiser is dakloos en heeft psychische problemen. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder ten onrechte niet in deze procedure heeft beoordeeld of aan eiser verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez-Vilchez. [4] Om die beoordeling te maken, moest verweerder een onderzoek naar de situatie van eiser en zijn zoon opvragen bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden. De rechtbank geeft eiser gelijk op zijn punt over de beoordeling in het kader van het arrest Chavez-Vilchez, maar dit betekent niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Op de andere punten krijgt eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Het arrest Chavez-Vilchez
6. De rechtbank constateert dat de gemachtigde van eiser tijdens de hoorzitting van 4 juni 2024 en in de aanvullende bezwaargronden van 20 augustus 2024 een beroep heeft gedaan op het arrest Chavez-Vilchez. In het bestreden besluit is verweerder niet kenbaar op deze bezwaargrond ingegaan. Dit is een gebrek in het bestreden besluit.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren, omdat eiser er niet door in zijn belangen is geschaad. [5] Verweerder heeft namelijk ter zitting toegelicht dat het niet nodig was het beroep op het arrest Chavez-Vilchez los te beoordelen, nu deze beoordeling al is gemaakt in het in rechte vaststaande besluit van 1 juni 2023 (de afwijzing van een tweede Chavez-Vilchez aanvraag van eiser). [6] In dat besluit heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk beoordeeld op basis van de betrokkenheid van eiser bij de dagelijkse zorg voor zijn zoon en de omgangsregeling tussen eiser en zijn ex-partner. De rechtbank volgt verweerder erin dat in de huidige procedure geen nieuwe stukken zijn overgelegd of van nieuwe omstandigheden is gebleken die maken dat verweerder een nieuwe beoordeling moest maken. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat de gemachtigde van eiser ter zitting op 17 februari 2026 heeft aangegeven dat eiser sinds die beoordeling geen omgang meer heeft met zijn zoon. Daarnaast is in eerdere procedures en in de huidige procedure niet onderbouwd dat de ex-partner de omgang tussen eiser en zijn zoon frustreert. Er was voor verweerder dan ook geen aanleiding om advies te vragen aan de RvdK. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat eisers bezwaargrond over het arrest Chavez-Vilchez niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Er bestond namelijk hoe dan ook geen aanleiding om opnieuw te toetsen in dat kader. Eiser is er dus niet door in zijn belangen geschaad dat verweerder dit niet nadrukkelijk heeft opgemerkt in het bestreden besluit.
Vrijstelling van het legesvereiste
8. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet gehouden eiser vrij te stellen van de plicht om leges te betalen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
9. Uit artikel 3.34a onder j van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) volgt dat de “vreemdeling die het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt en die om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRMPro en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen” van de leges is vrijgesteld. Uit de formulering van het artikel volgt dat het gaat om cumulatieve eisen, zodat het voor de conclusie dat eiser niet van het betalen van de leges is vrijgesteld voldoende is als hij niet voldoet aan één van de voorwaarden. Om te beoordelen of een gerechtvaardigd beroep is gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM, moet verweerder beoordelen of de heffing van leges een vreemdeling hindert in de uitoefening van het privé-, familie- of gezinsleven. [7]
10. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eiser geen gerechtvaardigd beroep heeft gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn zoon. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt waarbij het belang van eiser is afgezet tegen het belang van de Nederlandse overheid en heeft deze belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen. Hoewel er sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn zoon, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een beperkte omgangsregeling [8] en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar feitelijk en structureel invulling aan geeft. Zoals hiervoor onder het kopje Chavez-Vilchez is overwogen heeft gemachtigde ter zitting bevestigd dat er sinds de laatste Chavez-Vilchez beoordeling in 2023 geen omgang meer plaatsvindt. Verder is niet gebleken dat de zoon bijzonder afhankelijk is van eiser of dat eiser meebeslist over de opvoeding of bijdraagt in de kosten voor levensonderhoud. Dat eiser minimaal één jaar met zijn zoon heeft samengewoond en zorg- en opvoedingstaken heeft verricht, doet daar niet aan af. Zijn zoon woont sinds de echtscheiding namelijk bij zijn moeder, die vanaf dat moment ook de dagelijkse zorg voor hem heeft gehad en nog heeft. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Egypte voort te zetten. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser de Egyptische nationaliteit heeft en geboren en getogen is in Egypte en dat eisers ex-partner in het verleden een tijdje in Egypte heeft gewoond, haar Egyptische vader daar ook woont en hun zoon nog jong is, waardoor hij zich makkelijk(er) zou kunnen aanpassen aan een nieuwe situatie. Daarbij mocht verweerder erop wijzen dat artikel 8 vanPro het EVRM geen recht geeft op vrije domiciliekeuze. Verweerder heeft tevens het economisch welzijn van Nederland mogen betrekken, waaronder de bescherming van de arbeidsmarkt en uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gezien het voorgaande, ook in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het kind. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen in de belangenafweging en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Eiser heeft niet gewezen op (andere) relevante omstandigheden die verweerder niet heeft betrokken in de belangenafweging.
11. Nu eiser geen gerechtvaardigd beroep heeft gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM, komt hij niet in aanmerking voor vrijstelling van het legesvereiste, ongeacht of hij heeft aangetoond dat hij niet in staat is de leges te voldoen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de gronden die zien op het legesvereiste en het beroep dat hij in dat kader heeft gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid vanwege zijn schrijnende situatie.
12. Nu eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het legesvereiste en hij de leges niet heeft betaald, mocht verweerder zijn aanvraag buiten behandeling stellen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld.
13.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] .
13.2.
Omdat de rechtbank in r.o. 7 een gebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,-. [10]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.
Voetnoten
1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1956).
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C- 33/15, Chavez-Vilchez en anderen (ECLI:EU:C:2017:354).
6.Bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser bij besluit van 5 augustus 2021 is ook afwijzend op de eerste Chavez-Vilchez aanvraag van eiser van 22 december 2020 beslist.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1956, onder 3.2.
8.De omgangsregeling houdt in dat er begeleide omgang zal plaatsvinden een keer per twee weken voor de duur van 1,5 uur.
9.Op grond van artikel 8:81 enPro 8:83, derde lid, Awb.
10.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.