Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 januari 2024 ontvangen, maar de minister heeft niet binnen de wettelijke termijn van 21 maanden beslist. Eiser stelde de minister op 18 november 2025 in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en eiser de ingebrekestelling correct heeft gedaan. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. De rechtbank kan echter geen dwangsom vaststellen voor de periode vóór 15 april 2025 vanwege gewijzigde wetgeving. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens het inschakelen van juridische hulp.