Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 5 mei 2024 ontvangen, maar de minister had binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 13 februari 2026 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de beslistermijn heeft beslist en de ingebrekestelling correct is gedaan. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken vast, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank kan de hoogte van de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen vanwege wetswijzigingen per 15 april 2025. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens het inschakelen van professionele juridische hulp.