Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL24.48104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 AwbArt. 44 lid 2 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugwerkende kracht ingangsdatum asielvergunning

Eiseres, van Iraanse nationaliteit, diende op 8 februari 2017 een eerste asielaanvraag in die op 25 maart 2021 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing waren beroep en hoger beroep ingesteld, maar deze werden ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing onherroepelijk werd.

Op 8 april 2022 diende eiseres een opvolgende asielaanvraag in die op 5 november 2024 werd ingewilligd. Eiseres was het echter niet eens met de ingangsdatum van de vergunning, die de datum van de opvolgende aanvraag was, en verzocht om terugwerkende kracht vanaf haar eerste aanvraag.

De rechtbank oordeelt dat de ingangsdatum terecht is vastgesteld op 8 april 2022, conform artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de eerste aanvraag onherroepelijk was afgewezen en er geen verzoek tot bestuurlijke heroverweging is ingediend. Daarnaast wijst de rechtbank het bezwaar af dat stukken niet correct digitaal zijn bekendgemaakt, omdat de gemachtigde van eiseres expliciet toestemming had gegeven voor digitale communicatie.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de asielvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning gaat in op de datum van de opvolgende aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaakummer: NL24.48104 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,van Iraanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. I. van der Vegt)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiseres. Eiseres verzoekt om met terugwerkende kracht als vluchteling te worden aangemerkt met ingang van haar eerste asielverzoek d.d. 8 februari 2017. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de vergunning.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 februari 2017 een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 25 maart 2021 afgewezen. Het door eiseres hiertegen ingestelde beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de aanvraag onherroepelijk vast is komen te staan.
2.1
Eiseres heeft op 8 april 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 5 november 2024 (het bestreden besluit) ingewilligd. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat zij het niet eens is met de ingangsdatum van de verleende asielvergunning.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank heeft op 24 februari 2026 regievragen aan partijen gesteld. De gemachtigde van eiseres heeft daar in eerste instantie niet op gereageerd. Vervolgens heeft de gemachtigde twaalf minuten voor aanvang van de zitting een inhoudelijke reactie met daarin aanvullende gronden ingediend en heeft zij zich afgemeld voor de zitting. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat zij op dat moment niet inhoudelijk kon reageren op de aanvullende gronden van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiseres de aanvullende reactie pas zo kort voor de zitting heeft ingediend, dat verweerder geen gelegenheid heeft gehad om daar een adequate reactie op te geven. Om die reden kan de rechtbank de aanvullende gronden niet goed beoordelen. De rechtbank laat de aanvullende reactie daarom buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
De bekendmaking van het besluit en het gehoorverslag
4. Op 5 november 2024 zijn het rapport van het gehoor naar aanleiding van de opvolgende aanvraag en de beschikking waarbij de asielaanvraag van eiseres is ingewilligd, bekendgemaakt via het Portaal voor Advocaten.
4.1
Eiseres voert aan dat beide documenten niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, omdat de gemachtigde niet expliciet toestemming heeft gegeven voor het ontvangen van stukken via de digitale weg.
4.2
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit artikel 2:8 van Pro de Awb [1] blijkt dat berichten door het bestuursorgaan via de elektronische weg bekend kunnen worden gemaakt, wanneer de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs de elektronische weg voldoende bereikbaar is. In het dossier zit een toestemmingsverklaring van de gemachtigde van 19 juli 2022 waarin de gemachtigde kenbaar heeft gemaakt voldoende bereikbaar te zijn voor dossierstukken van de IND via het Portaal voor Advocaten. Daarmee heeft de gemachtigde kenbaar gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn. Van een onjuiste bekendmaking is volgens de rechtbank dan ook geen sprake.
Ingangsdatum asielvergunning
5. Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van haar vergunning in het bestreden besluit. Zij verzoekt met terugwerkende kracht te worden aangemerkt als vluchteling met ingang vanaf de datum van haar eerste asielaanvraag.
5.1
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft op 8 februari 2017 een eerste asielaanvraag ingediend die is afgewezen. Deze afwijzing is onherroepelijk vast komen te staan. Vervolgens is er een opvolgende aanvraag gedaan die is ingewilligd. Er is door eiseres geen verzoek tot bestuurlijke heroverweging ingediend bij verweerder. Zoals ook eerder overwogen door de Afdeling op 7 juli 2021 [2] , geldt om die reden onverkort het uitgangspunt van artikel 44, tweede lid, van de Vw [3] , waarin staat dat de ingangsdatum van de vergunning de datum is waarop de opvolgende asielaanvraag is ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten de asielvergunning van eiseres in te laten gaan op 8 april 2022.
5.2
Voor zover eiseres stelt dat verweerder het verslag van gehoor niet tijdig kenbaar heeft gemaakt en dat als dat wel zo was geweest eiseres een verzoek tot heroverweging had kunnen doen, kan de rechtbank eiseres niet volgen. Het staat eiseres immers vrij om op elk moment een verzoek tot bestuurlijke heroverweging in te dienen bij verweerder.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van E.C.H.M. van Leeuwen, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1430, r.o. 4.3
3.Vreemdelingenwet 2000