ECLI:NL:RBDHA:2026:7987
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugwerkende kracht ingangsdatum asielvergunning
Eiseres, van Iraanse nationaliteit, diende op 8 februari 2017 een eerste asielaanvraag in die op 25 maart 2021 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing waren beroep en hoger beroep ingesteld, maar deze werden ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing onherroepelijk werd.
Op 8 april 2022 diende eiseres een opvolgende asielaanvraag in die op 5 november 2024 werd ingewilligd. Eiseres was het echter niet eens met de ingangsdatum van de vergunning, die de datum van de opvolgende aanvraag was, en verzocht om terugwerkende kracht vanaf haar eerste aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat de ingangsdatum terecht is vastgesteld op 8 april 2022, conform artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de eerste aanvraag onherroepelijk was afgewezen en er geen verzoek tot bestuurlijke heroverweging is ingediend. Daarnaast wijst de rechtbank het bezwaar af dat stukken niet correct digitaal zijn bekendgemaakt, omdat de gemachtigde van eiseres expliciet toestemming had gegeven voor digitale communicatie.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de asielvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning gaat in op de datum van de opvolgende aanvraag.