Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 4 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar partner te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op 16 mei 2024, en handhaafde dit besluit op 4 september 2024, omdat tussen eiseres en haar partner geen familierechtelijke relatie bestond vanwege een echtscheiding op 15 mei 2024.
Eiseres stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 26 februari 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank constateerde dat het beroepschrift van 6 september 2024 geen gronden van beroep bevatte, ondanks een aangetekende aanmaning om deze binnen vier weken aan te vullen.
Omdat eiseres niet aan dit verzoek voldeed en geen reactie gaf op de standpunten van verweerder, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en kreeg eiseres geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.