ECLI:NL:RBDHA:2026:787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.33491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige dreiging door Taliban en onvoldoende bewijs

Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, vordert verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van een vermeende dreiging door de Taliban vanwege zijn vrijwilligerswerk en etnische achtergrond. Hij stelt dat hij telefonisch en schriftelijk bedreigd is, beschoten werd en dat zijn Sjiitische stam, de Turi, vervolgd wordt.

De minister wees de aanvraag af omdat de dreigbrief niet bevoegd was opgemaakt en afgegeven, en de overige verklaringen ongeloofwaardig werden geacht. De rechtbank bevestigt dit oordeel, wijst op het ontbreken van contra-expertise en onvoldoende onderbouwing van de rekruteringspoging en beschieting.

De rechtbank oordeelt dat de Turi-stam niet als risicoprofiel geldt en dat de landeninformatie geen specifieke vervolging ondersteunt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor een gegronde vrees voor de Taliban.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33491

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en S. Walli als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
4. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is bedreigd door de Taliban omdat hij als vrijwilliger actief is voor een lokale organisatie (de FLADP). Hij heeft een dreigbrief ontvangen en is ook telefonisch bedreigd. Hij zou worden vermoord als hij zich niet zou aansluiten bij de Taliban. Hij is beschoten door de Taliban toen hij in een auto onderweg was naar Parachinar. Verder staat zijn Sjiitische stam, de Turi, in de negatieve belangstelling van de Pakistaanse autoriteiten en van de Taliban. Bij terugkeer zal eiser problemen ervaren.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, uw nationaliteit en herkomst;
problemen met de Taliban vanwege vrijwilligerswerk voor FLADP.
Verweerder volgt eiser in de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder volgt echter niet dat eiser vanwege zijn (geloofwaardig geachte) vrijwilligerswerk of zijn etniciteit persoonlijk voor de Taliban heeft te vrezen. De door eiser overgelegde dreigbrieven zijn namelijk door Bureau Documenten onderzocht en ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven’ bevonden. Verder heeft eiser vaag en vreemd verklaard over de telefonische bedreigingen door de Taliban en heeft hij summier en ongerijmd verklaard over de rekrutering door de Taliban. Verweerder acht het ook ongeloofwaardig dat eiser is beschoten door de Taliban. Dat eiser tot de Turi (een Sjiitische stam) behoort maakt niet dat hij alleen al daarom een gegronde vrees voor de Taliban heeft. Dat blijkt niet uit landeninformatie en ook niet uit de verklaringen van eiser zelf. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid en onder c, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser valse informatie heeft opgegeven met het overleggen van de dreigbrief.
Beoordeling aan de hand van de beroepsgronden
Problemen met de Taliban
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn. Hiertoe voert eiser ten eerste aan dat verweerder de bewijswaarde van de overgelegde dreigbrief van de Taliban verkeerd heeft gewogen. Bureau Documenten is immers enkel tot de conclusie gekomen dat de dreigbrief niet bevoegd is opgemaakt. Omdat de Taliban niet het bevoegde gezag zijn in Pakistan, zegt de conclusie van Bureau Documenten dus niks over de bewijswaarde het de dreigbrief. Dit heeft verweerder miskend. Verweerder heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig zou zijn dat eiser geen leden van de Taliban kent, maar dat zij desondanks aan zijn telefoonnummer zijn gekomen. De Taliban is immers een terroristische organisatie die zich dus niet in het openbaar tonen, maar dat maakt niet dat zij niet het telefoonnummer kunnen achterhalen. Dat de Taliban tijdens het gesprek ook niet kenbaar hebben gemaakt waar eiser zich moest melden, is het in het licht van het voorgaande ook niet gek. De Taliban willen immers eerst zeker weten dat iemand zich echt gaat aansluiten. Verweerder heeft ten slotte ten onrechte toegeworpen dat de beschieting ook door een andere groepering dan de Taliban kan zijn geweest, aangezien deze conclusie niet volgt uit het door verweerder aangehaalde Algemeen Ambtsbericht van juli 2024.
7. De rechtbank stelt voorop dat Bureau Documenten de dreigbrief die eiser stelt van de Taliban te hebben ontvangen heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat daarmee wordt bedoeld dat de dreigbrief niet door de Taliban is opgemaakt en afgegeven. Ondanks dat de Taliban niet ‘het bevoegde gezag’ is in Pakistan, zijn zij uiteraard wel de enige organisatie die bevoegd is om dreigbrieven op te stellen in naam van de Taliban. Nu eiser verder geen contra-expertise heeft laten verrichten en (de uitkomst van) het onderzoek door Bureau Documenten ook niet verder heeft betwist, heeft verweerder terecht vastgehouden aan de conclusie van het onderzoek en heeft hij dus aan eiser kunnen tegengeworpen dat de dreigbrief niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, zodat deze niet het asielrelaas van eiser niet ondersteunt.
8. De (wijze van) rekrutering heeft verweerder ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ten eerste heeft eiser niet kunnen verklaren waarom de Taliban specifiek hem zou willen rekruteren, terwijl hij ook heeft aangegeven dat tussen de Sjiitische Turi en de (Soennitische) Taliban sprake is van een langdurig sektarisch conflict en dat zij vijanden van elkaar zijn. Het lag op de weg van eiser om toe te lichten hoe de gestelde rekruteringspoging zich verhoudt tot dat gegeven. De verklaring van (de gemachtigde van) eiser dat eiser waardevol was omdat hij voor een NGO werkte en dat de Taliban daar informatie over wilde, is niet afdoende. Dit is pas ter zitting naar voren gebracht en komt bovendien niet overeen met zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij van de Taliban juist moest stoppen met werken voor de NGO en mee moest vechten met de Taliban. Verder heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat aan eiser niet is meegeven waar en hoe hij zich moet melden als hij zich wel wil aansluiten bij de Taliban. Als daadwerkelijk sprake was van een rekruteringspoging dan ligt het in de lijn der verwachting dat aan eiser werd meegegeven hoe hij zich vervolgens zou moeten aansluiten. De enkele verklaring van eiser dat de Taliban in het geheim opereren en dat zij hem weer zouden kunnen bellen, is onvoldoende en doet aan het voorgaande niet af.
9. Verweerder heeft ten slotte aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit eisers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij is beschoten door de Taliban. Verweerder heeft zich aan de hand van landeninformatie en de verklaringen van eiser zelf terecht op het standpunt gesteld dat verschillende gewapende groeperingen actief zijn in Pakistan en dat zij het vaak hebben gemunt op Sjiieten. Eiser heeft gesteld dat de wijze waarop de Taliban eiser heeft beschoten past bij een aanslag van de Taliban, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Tijdens de zitting is gesteld dat Taliban-strijders herkenbaar zijn aan bepaalde uiterlijke kenmerken, maar eiser heeft deze kenmerken tijdens het nader gehoor niet genoemd. Eiser verwijst weliswaar naar een passage uit het ambtsbericht waaruit volgt dat Sjiieten in Khurram door de Taliban worden vervolgd, maar dit doet niet af aan de aanwezigheid van andere groeperingen die ook in die regio actief zijn. Bovendien heeft eiser – zelfs als wordt aangenomen dat hij inderdaad is beschoten door de Taliban – niet aannemelijk gemaakt dat de schutters het specifiek op hem hadden gemunt. Niet valt in te zien hoe de schutters op afstand, zittend in een auto, hebben kunnen herkennen. Verweerder heeft dus aan eiser kunnen tegenwerpen dat eisers stelling dat hij is beschoten door de Taliban alleen is gebaseerd op vermoedens.
10. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft met de Taliban vanwege zijn vrijwilligerswerk voor de FLADP. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Problemen als gevolg van Turi-etniciteit
11. Eiser stelt dat hij als Sjiitische Pashtun uit Khurram een verhoogd risico loopt op vervolging bij terugkeer door de Taliban, maar ook de autoriteiten. Door de Taliban vanwege het langdurige conflict tussen eisers stam (de Turi’s) en de Taliban in dat gebied. Hij is bovendien bedreigd en heeft gewerkt bij een NGO. Door de autoriteiten omdat hij door de autoriteiten zal worden gezien als een (terugkerende) strijder.
12. De rechtbank stelt voorop dat dat eiser als sjiitische Pashtun niet behoort tot een in het landenbeleid aangewezen risicoprofiel, neergelegd in paragraaf C7/27 (Pakistan) van de Vreemdelingencirculaire 2000. Eisers stelling dat hij reeds vanwege zijn geloof of etnische afkomst voor vervolging of ernstige schade heeft te vrezen vindt evenmin steun in de informatie in het Algemeen Ambtsbericht van juli 2024. De rechtbank is verder van oordeel dat het enkel deel uitmaken van de Turi stam ook onvoldoende is om alleen op basis daarvan uit te gaan van de negatieve aandacht van de Taliban of van de Pakistaanse autoriteiten. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 februari 2023 (NL22.5776, niet gepubliceerd), welke is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3444). Het merendeel van de door eiser overgelegde landeninformatie dateert van vóór die uitspraken en bovendien volgt uit die informatie niet dat de Turi als zodanig vervolgd worden. Eiser heeft weliswaar in beroep – onder verwijzing naar een recent artikel – aangevoerd dat nog altijd sprake van geweld in die regio, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van vervolging van de Turi door de Taliban of een andere groepering. Uit het door eiser overgelegde artikel komt juist naar voren dat sprake is van landdisputen, sektarisch geweld én de aanwezigheid van terroristische groeperingen. Dit wijst dus op een verscheidenheid aan geweldsactoren en niet op een specifieke vervolging van de Turi door de Taliban. Eiser heeft verder gesteld dat zijn lange vertrek uit Pakistan (door de Pakistaanse autoriteiten) als verdacht zal worden gezien, maar hij heeft dit verder in beroep niet onderbouwd met landeninformatie. Ook geldt dat als eiser problemen heeft gehad vanwege zijn etniciteit, het voor de hand had gelegen dat hij hierover zou hebben verklaard tijdens één van de gehoren. Er is namelijk wel naar gevraagd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.