De rechtbank Den Haag heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in een familierechtelijke zaak over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats van een minderjarige. Na een mislukte mediation tussen de ouders heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder en vader beoordeeld.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] is vastgesteld bij de vader, aangezien het kind daar het merendeel van de tijd verblijft en de vader geen verweer voerde. De rechtbank wees het verzoek van de moeder af om de ouder die het kind inschrijft ook het recht te geven op kind-gerelateerde toeslagen, omdat dit wettelijk is geregeld en geen co-ouderschap van toepassing is.
Partijen bereikten overeenstemming over de zorgregeling: [minderjarige 1] mag zelf bepalen wanneer zij naar de moeder gaat, met als uitgangspunt één weekend per maand. Voor [minderjarige 2], die medische beperkingen heeft, is een aangepaste regeling vastgesteld waarbij het kind iedere zondag en woensdag bij de vader verblijft, met afspraken over tijdige communicatie bij verhindering.
Ook zijn afspraken gemaakt over de verdeling van vakanties en feestdagen, waaronder Suikerfeest, Offerfeest en de zomervakantie, waarbij de kinderen deels bij beide ouders verblijven. De rechtbank wees het verzoek tot oplegging van een dwangsom af, omdat partijen grotendeels zelf tot overeenstemming zijn gekomen. Proceskosten worden door iedere partij zelf gedragen.