Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7673

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/09/695986 / FA RK 25-9379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 611a RvArt. 223 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling hoofdverblijfplaats, gezag, zorgverdeling en kinderalimentatie voor minderjarige

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2024, oefenden gezamenlijk gezag uit en de minderjarige verbleef bij de moeder. De vader verzocht om een zorgregeling met begeleide omgang en een omgangsregeling met weekendverblijven, terwijl de moeder verweer voerde en zelfstandig onder meer de hoofdverblijfplaats bij haar wilde vaststellen en kinderalimentatie eiste.

De rechtbank stelde vast dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, omdat dit niet in strijd is met het belang van het kind. Het contact tussen vader en kind is sinds december 2024 fysiek onderbroken, maar digitaal positief. De rechtbank achtte het in het belang van het kind om het contact onder professionele begeleiding te herstellen en verwees partijen naar Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling.

De rechtbank wees het verzoek om een dwangsom af, omdat dit de verhoudingen zou kunnen verstoren. De kinderalimentatie werd vastgesteld op € 539,- per maand vanaf 26 januari 2026, gebaseerd op draagkrachtberekeningen en de behoefte van het kind. Het verzoek tot betaling van kindgebonden budget en kinderbijslag werd niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank houdt verdere beslissingen over gezag en zorgverdeling aan tot na afloop van de hulpverleningstrajecten en eventuele rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de moeder vastgesteld en de vader moet kinderalimentatie betalen vanaf 26 januari 2026; beslissingen over gezag en zorgregeling worden aangehouden in afwachting van hulpverlening.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9369 (bodemprocedure) en FA RK 25-9379 (voorlopige voorzieningenprocedure)
Zaaknummer: C/09/695969 (bodemprocedure) en C/09/695986 (voorlopige voorzieningenprocedure
Datum beschikking: 3 maart 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 4 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.N. Baldew in ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsaroep in ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van 11 januari 2026 van de vader;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder;
  • het bericht met bijlage van 3 februari 2026 van de moeder.
Op 3 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Namens de vader zijn pleitnoties overgelegd.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
  • [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, na aanvulling, in de bodemprocedure en de voorlopige voorzieningenprocedure:
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] , waarbij:
- de eerste drie maanden begeleide omgang plaatsvindt tussen de vader en [de minderjarige] , waarna [de minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft;
- de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
- twee keer per week contact via videobellen plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de vader voor maximaal 30 minuten;
- de moeder de vader maandelijks dient te informeren over gezondheid, ontwikkeling en verzorging van [de minderjarige] , inclusief foto’s en schoolinformatie;
- in geval van geschillen over medische zorg, opvang, onderwijs of verblijf wordt overlegd via de advocaten en bij uitblijven daarvan binnen 30 dagen via een mediator;
  • dan wel subsidiair een regeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van [de minderjarige] juist acht;
  • te bepalen dat een dwangsom van €250,- wordt opgelegd voor elke keer dat de zorgregeling niet wordt nageleefd of de moeder afzegt zonder geldige reden en binnen 48 uur geen alternatief biedt, met een maximale dwangsom van €25,000,-;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder vast te stellen;
  • te bepalen dat de vader € 539,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen aan de moeder vanaf 1 januari 2025, telkens voor de eerste van de maand;
  • te bepalen dat de vader het door hem ontvangen kindgebonden budget en de kinderbijslag van in totaal € 3.584,- aan de moeder dient te betalen.

Beoordeling

In de procedure met zaaknummer C/09/695969
Hoofdverblijfplaats
De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De vader heeft op de zitting met dit verzoek ingestemd. De rechtbank zal het verzoek van de moeder als onweersproken toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hiertegen verzet.
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vader verzoekt de rechtbank een zorgregeling met [de minderjarige] vast te stellen. Sinds 8 december 2024 is er geen fysiek contact meer geweest tussen de vader en [de minderjarige] . Er is wel regelmatig contact tussen hen door middel van videobellen en die contacten verlopen positief en liefdevol. Het digitale contact is waardevol, maar de vader acht dit onvoldoende om de ouder-kindrelatie op natuurlijke wijze te onderhouden en verder te ontwikkelen. De vader stelt dat een langdurige onderbreking van zijn (fysieke) contact met [de minderjarige] kan leiden tot hechtingsproblemen en een verstoring van de identiteitsontwikkeling. De vader heeft een stabiele woonruimte en inkomen en hij kan het fysieke contact op een veilige manier realiseren.. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig die contact met [de minderjarige] in de weg kunnen staan.
De moeder vindt het belangrijk dat er goed contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Dit contact dient echter wel veilig en in het belang van [de minderjarige] te zijn, zodat haar emotionele ontwikkeling niet in gevaar komt. De moeder maakt zich – gelet op de depressie- en agressieproblemen van de vader –zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] als zij bij de vader is. De moeder wil daarom dat het contact wordt opgebouwd onder begeleiding. Op deze manier kan onderzocht worden of de vader zijn problematiek voldoende onder controle heeft om ook onbegeleid contact te hebben met [de minderjarige] . De moeder wil alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefenen, omdat zij vreest dat de vader het gezag zal gebruiken om controle over de moeder te krijgen en omdat de vader zijn gezag in het verleden heeft misbruikt door het paspoort en andere spullen van [de minderjarige] achter te houden. De moeder vreest dat [de minderjarige] bij het voortduren van het gezamenlijk gezag klem en verloren zal raken.
De rechtbank acht het, evenals de ouders, in het belang van [de minderjarige] om het contact tussen haar en de vader onder begeleiding te herstellen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de minderjarige] nog heel jong is en dat zij haar vader al meer dan een jaar niet heeft gezien. Ook betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat er tussen de ouders zowel tijdens als na de relatie zoveel is voorgevallen dat zij het vertrouwen in elkaar zijn kwijtgeraakt, zodat de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in heeft dat zij zonder professionele hulpverlening het contact tussen de vader en [de minderjarige] kunnen herstellen. De rechtbank zal de ouders daarom doorverwijzen naar Omgangsbegeleiding.
De rechtbank heeft op de zitting besproken dat zij het, net als de Raad en de ouders zelf, ook van belang acht dat de ouders gaan deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om hun onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren in het belang van [de minderjarige] . Op de zitting hebben de ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij bij het traject Ouderschapsbemiddeling ook het gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] zullen bespreken. Ook kunnen tijdens dit traject veiligheidsafspraken gemaakt worden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling aan te houden.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstanties om, zoals op de zitting met de ouders is besproken, de eindrapportages over het verloop van de Omgangsbegeleiding en de Ouderschapsbemiddeling in te dienen voor de na te melden pro forma datum. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als de trajecten niet hebben geleid tot een positief resultaat dienen de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportages de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Is vaststelling van een zorgregeling met de vader in het belang van [de minderjarige] ? Zo ja, hoe dient de zorgregeling met de vader er dan uit te zien?
Is nadere hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [de minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Is een wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] ?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat de trajecten volgens de uitvoerende hulpverleningsinstanties niet positief worden afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling zal aanhouden tot na te melden pro forma datum in afwachting van het verloop van de hulpverleningstrajecten, dan wel de resultaten van het rapport en advies van de Raad.
Dwangsom
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang met artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank op verzoek, een dwangsom verbinden aan de nakoming van een zorgregeling, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom, omdat de moeder de videobelmomenten regelmatig heeft afgezegd. De moeder heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide ouders hebben ter zitting de bereidheid uitgesproken om een Ouderschapsbemiddelingstraject aan te gaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Ook hebben zij toegezegd dat zij zullen meewerken aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] onder professionele begeleiding. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat partijen zich in het belang van [de minderjarige] aan deze toezeggingen zullen houden. Het verbinden van een dwangsom aan de zorgregeling zal de verhoudingen tussen partijen verder op scherp zetten en daarom mogelijk verstorend werken bij het bemiddelingstraject. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek om een dwangsom op te leggen daarom afwijzen.
Kinderalimentatie
Behoefte van [de minderjarige]
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen worden bepaald ten tijde van de samenwoning. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van periode 2024-II, omdat partijen in december 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.
Voor de berekening van het NBI van de moeder gaat de rechtbank uit van verzamelinkomen van € 29.822,- in 2024, zoals blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting 2024.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op
€ 2.485,- per maand.
De moeder stelt dat de vader tijdens de relatie van partijen € 3.660,- bruto per maand verdiende. De vader heeft dit ter zitting bevestigd. Voor de berekening van het NBI van de vader gaat de rechtbank uit een inkomen van € 3.660,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vader op
€ 3.067,- per maand.
Het NBGI van partijen bedraagt (2.485 + 3.067 =) € 5.552,- per maand. Op basis van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ gevoegd bij de kinderbijslagpunten voor één kind, levert dit een behoefte op van € 808,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 900,- per maand.
Ingangsdatum
Voordat de rechtbank de draagkracht van de ouders kan berekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
De moeder verzoekt als ingangsdatum van de kinderalimentatie 1 januari 2025 omdat de ouders tot en met december 2024 samen hebben gewoond. De vader voert verweer. Hij stelt dat hij heeft bijgedragen in kosten van verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] .
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste Pro lid BW volgt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Uit vaste jurisprudentie volgt dat terughoudend moet worden omgegaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank overweegt dat vanaf het moment dat de moeder een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie heeft ingediend, de vader rekening had kunnen houden met een te betalen bijdrage. De rechtbank acht het in dit geval dan ook redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van dat verzoek, te weten 26 januari 2026.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.365).
Draagkracht van de moeder
Bij de berekening van de draagkracht van de moeder zal de rechtbank uitgaan van een UWV-uitkering van € 565,- per week, zoals volgt uit de overgelegde uitkeringsspecificatie van december 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale kortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de moeder op € 2.332,- per maand. De draagkracht van de moeder bedraagt € 187,- per maand.
Draagkracht van de vader
De moeder heeft het huidige inkomen van de vader geschat op € 4.200,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De vader heeft op de zitting bevestigd dat het inkomen zoals geschat door de moeder klopt. Er zijn geen stukken overgelegd ter onderbouwing van het inkomen van de vader. De rechtbank zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de vader het door de moeder geschatte en door de vader bevestigde inkomen van
€ 4.200,- als uitgangspunt nemen.
De rechtbank houdt rekening met de volgende fiscale kortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het huidige NBI op € 3.445,- per maand. De draagkracht van de vader bedraagt € 732,- per maand.
Zorgkorting
Nu partijen zijn doorverwezen naar Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling, acht de rechtbank het, gelet op de uitgangspunten in het Rapport Alimentatienormen, redelijk om een zorgkorting van 5% te hanteren. De behoefte van [de minderjarige] is € 900,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,05 x 900 =) € 45,- per maand bedraagt.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vader dat met een hogere zorgkorting rekening moet worden gehouden, omdat hij er niet voor gekozen heeft zijn dochter niet te zien. De rechtbank neemt bij de berekening de feitelijke situatie als uitgangspunt en dat is dat de vader op dit moment geen (fysiek) contact heeft met [de minderjarige] .
De vader voert voorts aan dat hij openstaat voor contactherstel en dat daarom rekening moet worden behouden met een hogere zorgkorting. De rechtbank zal niet vooruitlopen op de uitkomst van de Omgangsbegeleiding en de Ouderschapsbemiddeling, maar uitgaan van de feitelijke situatie op dit moment. Als de zorgregeling op enig moment gewijzigd wordt, kunnen partijen de zorgkorting naar aanleiding daarvan zelf aanpassen.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (187 + 732 =) € 919,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de moeder: 187 / 919 x 900 = 183
het eigen aandeel van de vader: 732 / 919 x 900 = 717
samen 900
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt dus een gedeelte van € 183,- per maand voor rekening van de moeder en een gedeelte van € 717,- per maand voor de vader.
Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 45,- per maand, zou dit leiden tot een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van (717 – 45 =)
€ 672,- per maand.
Omvang van het geschil
De moeder verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de vader aan haar een kinderalimentatie moet voldoen van € 539,- per maand. De rechtbank stelt vast dat dit een lager bedrag is dan de vader op grond van de draagkrachtvergelijking zou moeten voldoen. De rechtbank is gebonden aan de rechtsstrijd tussen partijen en kan geen hoger bedrag aan kinderalimentatie opleggen dan door de moeder is verzocht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie moet betalen van € 539,- per maand.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Betaling kindgebonden budget en kinderbijslag
De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het kindgebonden budget en de kinderbijslag die hij tussen het verbreken van de samenleving en 15 juli 2025 heeft ontvangen. Ter zitting is namens de vrouw desgevraagd erkend dat er geen formele wettelijke basis bestaat om dit verzoek in een verzoekschriftprocedure aan de rechtbank voor te leggen. De rechtbank zal de moeder in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
In de procedure met zaaknummer C/09/695986
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Nu de rechtbank in de bodemprocedure de beslissingen neemt over dezelfde onderwerpen die in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn voorgelegd, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen bij gebrek aan belang.

Beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaaknummer C/09/695986
wijst de verzoeken af;
In de procedure met zaaknummer C/09/695969
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende op [adres 1] ,
en
[de moeder] , (de moeder),
wonende op [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstanties de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Omgangsbegeleiding en de Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 26 januari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , van € 539,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het verzoek om partijen te verplichten een ouderschapsplan te ondertekenen overeenkomstig de door de vader voorgestelde regeling;
*
wijst af het verzoek om een dwangsom te verbinden aan nakoming van de zorgregeling;
*
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om te bepalen dat de vader het door hem ontvangen kindgebonden budget en kinderbijslag aan de moeder dient te betalen;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan tot
1 augustus 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 maart 2026.