ECLI:NL:RBDHA:2026:7645
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en kennelijke ongegrondheid
Eiseres, van Iraakse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank toetste deze afwijzing aan de hand van het asielrelaas, waarin eiseres stelde bedreigd te worden vanwege eerwraak door clans vanwege de relatie van haar zoon.
De rechtbank oordeelde dat de minister het asielrelaas terecht ongeloofwaardig mocht vinden, mede vanwege de uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten naar de overgelegde dreigbrieven en de vage, ongerijmde en wisselende verklaringen van eiseres. Ook concludeerde de minister terecht dat eiseres bij terugkeer niet als alleenstaande vrouw zal worden gezien, omdat haar zoon ook naar Irak zal terugkeren.
De rechtbank verwierp de beroepsgronden van eiseres, waaronder het betoog dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar de dreigbrieven en dat de verklaringen van eiseres consistent waren. De rechtbank stelde vast dat de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat de nieuwe elementen ongeloofwaardig waren en de aanvraag een opvolgende aanvraag betrof.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter T.M. Weeda en griffier M.L. Tijssen op 1 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens ongeloofwaardig asielrelaas.