Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.31786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30a VwArt. 30b VwArt. 31 VwArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en kennelijke ongegrondheid

Eiseres, van Iraakse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank toetste deze afwijzing aan de hand van het asielrelaas, waarin eiseres stelde bedreigd te worden vanwege eerwraak door clans vanwege de relatie van haar zoon.

De rechtbank oordeelde dat de minister het asielrelaas terecht ongeloofwaardig mocht vinden, mede vanwege de uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten naar de overgelegde dreigbrieven en de vage, ongerijmde en wisselende verklaringen van eiseres. Ook concludeerde de minister terecht dat eiseres bij terugkeer niet als alleenstaande vrouw zal worden gezien, omdat haar zoon ook naar Irak zal terugkeren.

De rechtbank verwierp de beroepsgronden van eiseres, waaronder het betoog dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar de dreigbrieven en dat de verklaringen van eiseres consistent waren. De rechtbank stelde vast dat de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat de nieuwe elementen ongeloofwaardig waren en de aanvraag een opvolgende aanvraag betrof.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter T.M. Weeda en griffier M.L. Tijssen op 1 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens ongeloofwaardig asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31786

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing als kennelijk-ongegrond van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig mogen vinden vanwege de uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten naar de overgelegde documenten en de vage, ongerijmde en wisselende verklaringen van eiseres. Daarnaast heeft de minister kunnen concluderen dat eiseres bij terugkeer naar Irak niet als alleenstaande vrouw zal worden gezien. De rechtbank overweegt verder dat de overige beroepsgronden die zien op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] niet hoeven te worden beoordeeld, omdat verweerder het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank komt als laatste tot het oordeel dat de minister de aanvraag kennelijk ongegrond [3] heeft mogen verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 3 februari 2020 heeft eiseres een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1956. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond [4] .
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiseres heeft eerder op 14 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is bij beschikking van 6 juni 2017 afgewezen als ongegrond. Op 22 maart 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling [5] van 25 april 2019 [6] kennelijk ongegrond verklaard. Op 29 april 2019 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij beschikking van 9 mei 2019 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat deze aanvraag niet compleet was. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 juni 2019 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Was is het asielrelaas van eiseres?
4. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende nieuwe asielmotief ten grondslag. De zoon van eiseres heeft een relatie gehad met een meisje afkomstig uit een conservatieve stam. Het meisje schijnt door haar stam te zijn vermoord. Vanwege de relatie van haar zoon met het meisje ontvangt eiseres bedreigingen op grond van eerwraak.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
- De problemen met clans vanwege eerwraak.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De problemen met de clans vanwege eerwraak worden door de minister ongeloofwaardig geacht. De minister vindt namelijk dat eiseres haar verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Verder vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond [7] , omdat de aanvraag van eiseres een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Heeft de minister de problemen met de clans vanwege eerwraak ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het betoog van eiseres over de overgelegde dreigbrieven van de clans?
6. Eiseres voert aan dat de minister heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de overgelegde dreigbrieven, terwijl de aard van het asielmotief daartoe juist aanleiding gaf. Zij voert verder aan dat de minister ten onrechte de inhoud van de overgelegde dreigbrieven niet heeft betrokken. De minister vindt de dreigbrieven niet overtuigend, enkel vanwege de omstandigheid dat de echtheid van deze documenten niet kan worden bevestigd door Bureau Documenten. Dit is volgens eiseres echter onvoldoende om de inhoud van de brieven geheel terzijde te schuiven. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019 [8] en stelt op grond van deze uitspraak dat het ontbreken van of twijfel aan officiële documenten niet de enige reden mag zijn voor afwijzing van een asielrelaas. De andere bewijsmiddelen en verklaringen dienen ook serieus te worden betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de dreigbrieven voldoende zijn meegewogen bij de beoordeling, aangezien de minister uitgebreid is ingegaan op de waarde die aan deze documenten wordt gehecht. [9] Daarover heeft de minister overwogen dat de dreigbrieven door Bureau Documenten zijn onderzocht. [10] Uit de onderzoeken is gebleken dat er geen uitspraak kon worden gedaan over de echtheid en dat deze waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat de minister van de uitkomst van de onderzoeken door Bureau Documenten heeft mogen uitgaan. Eiseres heeft namelijk geen contra-expertise overgelegd. [11] Verweerder heeft daarom geringe waarde aan de overgelegde dreigbrieven kunnen hechten. De rechtbank stelt daarnaast vast dat op de zitting desgevraagd niet duidelijk is geworden wat er volgens eiseres nader aan de dreigbrieven had moeten worden onderzocht. De verwijzing van eiseres naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling maakt het oordeel niet anders. Tijdens de zitting is namelijk desgevraagd onduidelijk gebleven in hoeverre deze uitspraak relevant is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat is het betoog van eiseres over de verklaringen?
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte zich op het standpunt heeft gesteld dat haar verklaringen ongerijmd, vaag, wisselend of gebaseerd zijn op verklaringen van derden. Volgens eiseres is haar verklaring over de werkwijze van de clans, namelijk dat zij schriftelijke waarschuwingen geven voordat zij tot geweld overgaan, niet inherent ongeloofwaardig. Volgens eiseres hoeft zij niet te bewijzen dat de clans altijd brieven sturen. Zij voert namelijk aan dat een schriftelijke bedreiging kan voorkomen in tribale zaken over eerwraak, wat blijkt uit objectieve bronnen. Eiseres stelt ook dat haar verklaringen altijd consistent en plausibel zijn geweest. Dat zij niet elk detail meer weet, maakt haar relaas niet ongeloofwaardig. Eiseres stelt vervolgens dat de minister de documenten en verklaringen van haar zoon niet kenbaar heeft meegewogen. Haar verklaringen zijn namelijk consistent met de verklaringen van haar zoon. Eiseres stelt daarnaast dat de nieuwe elementen, namelijk de bedreigingen vanuit de clans dan wel de AAH-militie [12] en de bekering van haar zoon, niet individueel zijn beoordeeld. Volgens eiseres zijn ook de correcties en aanvullingen onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2025.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van eiseres over de gestelde problemen met de clans vanwege eerwraak niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Daarover wordt het volgende overwogen.
7.1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van eerwraak in Irak, dit blijkt ook uit de landeninformatie. Ook is niet in geschil dat door clans ook schriftelijke bedreigingen worden afgegeven. De minister heeft echter wel van belang kunnen vinden dat het onlogisch is dat de schriftelijke dreigingen vanuit de clans zo lang voortduren, maar dat deze dreigingen nooit zijn uitgevoerd. De minister heeft daarnaast de verklaringen van eiseres ongerijmd, vaag, wisselend en gebaseerd op verklaringen van derden mogen vinden. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres tot 2020 heeft gewacht met het verklaren over de bedreigingen vanwege eerwraak. Eiseres was hier namelijk al veel eerder van op de hoogte. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres vaag heeft verklaard over het moment dat zij op de hoogte raakte van de relatie van haar zoon en de bedreigingen. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiseres vaag heeft verklaard en zich heeft gebaseerd op verklaringen uit derde hand over de moord op het meisje met wie de zoon een relatie heeft gehad. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat het ongerijmd is dat de bedreigingen door de clan op het adres in [plaats 1] worden bezorgd, terwijl de relatie tussen de zoon en het meisje in [plaats 2] zou hebben plaatsgevonden. Het is volgens de minister daarbij onduidelijk gebleven hoe de clan op de hoogte is geraakt van het adres in [plaats 1], waar eiseres en haar familie de laatste acht maanden voor vertrek uit Irak zouden hebben verbleven.
7.1.2.
De rechtbank overweegt daarnaast dat de verklaringen van eiseres geen steun kunnen vinden in de verklaringen van haar zoon, omdat de minister de verklaringen van de zoon ook ongeloofwaardig heeft geacht. Daar komt bij dat in het dossier van de zoon dezelfde documenten zijn overgelegd als in het dossier van eiseres. Dit is op zitting desgevraagd bevestigd namens eiseres.
7.1.3.
De rechtbank is verder met de minister van oordeel dat hij de gestelde dreiging door de AAH-militie niet opnieuw bij zijn beoordeling hoefde te betrekken, aangezien eiseres dit al aan haar eerste asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd en dat de afwijzing van deze aanvraag in rechte vaststaat. Wat betreft de gestelde bekering van de zoon van eiseres heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat deze niet hoeft te worden beoordeeld op geloofwaardigheid, omdat eiseres dit motief niet aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd.
7.1.4.
De rechtbank overweegt tot slot dat de minister de correcties en aanvullingen voldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiseres niet heeft onderbouwd op welke concrete punten de correcties en aanvullingen niet of onjuist zijn meegenomen. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2025 treft geen doel, omdat de vindplaats door eiseres niet is benoemd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro?
Wat is het betoog van eiseres?
8. Eiseres voert aan dat de Iraakse autoriteiten haar geen effectieve bescherming kunnen bieden vanwege de bedreigingen in het kader van eerwraak. Daar komt bij dat eiseres tot een kwetsbare groep behoort als oudere, alleenstaande vrouw zonder sociaal netwerk. Eiseres stelt verder dat een intern vluchtalternatief voor haar ontbreekt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet wordt tegengeworpen dat zij effectieve bescherming van de Iraakse autoriteiten kan ontvangen of dat er voor haar een intern vluchtalternatief bestaat. De rechtbank zal hier dan ook geen oordeel over geven.
8.2.
Wat betreft de stelling van eiseres dat zij een alleenstaande vrouw is, is de rechtbank met de minister van oordeel dat zij bij terugkeer niet zal worden gezien als een alleenstaande vrouw [13] . De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat de asielaanvraag van de zoon van eiseres is afgewezen, waardoor hij ook naar Irak zal moeten terugkeren en eiseres daar dus een familielid heeft waar zij voor opvang en bescherming op terug kan vallen.
8.3.
Voor zover namens eiseres op de zitting is aangevoerd dat eiseres bij terugkeer wel als een alleenstaande vrouw moet worden gezien, omdat haar zoon in aanmerking zou kunnen komen voor een reguliere verblijfsvergunning vanwege zijn Nederlandse partner en kind, overweegt de rechtbank dat dit het oordeel niet anders maakt. Dit is namelijk niet onderbouwd. Daar komt bij dat het gaat om een toekomstige gebeurtenis nu niet is gebleken dat de zoon van eiseres op dit moment verblijfsrecht in Nederland heeft.
8.4.
De rechtbank komt verder niet toe aan de beoordeling van de overige gronden die zijn gericht op de vraag of eiseres een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank heeft namelijk al geoordeeld dat de minister de door eiseres gestelde problemen met de clans vanwege eerwraak ongeloofwaardig heeft mogen vinden.
Heeft de minister de herhaalde asielaanvraag kennelijk ongegrond mogen verklaren?
9. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aanvraag als kennelijk ongegrond moet worden afgedaan. In de zienswijze is ingebracht dat geen van de gronden voor kennelijke ongegrondheid [14] evident van toepassing is. De minister gaat volgens eiseres niet in op het juridische criterium en stelt enkel dat eiseres hierover geen zienswijze zou hebben ingediend, wat onjuist is. Eiseres stelt dat de wetgever de afdoening als kennelijk ongegrond heeft bedoeld voor evidente ongegrondheidssituaties, wat niet aan de orde is vanwege de complexe feiten en nieuwe bewijsstukken.
9.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres een opvolgende aanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard [15] . De nieuwe elementen zijn namelijk ongeloofwaardig geacht en daarom niet relevant voor de beoordeling, waardoor de aanvraag kennelijk ongegrond kon worden verklaard. [16] Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
4.Op grond van artikel 31 van Pro de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Geregistreerd onder zaaknummers 201903122/1/V2 en 201903122/2/V2.
7.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
9.Zie pagina 3 van het voornemen.
10.Zie de Verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten van 10 en 21 oktober 2025.
11.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2488.
12.Asa’ib Ahl al-Haq.
13.Zoals bedoeld in C7/16.3.2.1. van de Vreemdelingencirculaire.
14.Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Vw.
15.Overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, van de Vw.
16.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.