ECLI:NL:RBDHA:2026:7643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
AWB 25/13068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming na afwijzing tijdelijke bescherming

Eiser diende een aanvraag in voor verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, welke door de minister werd afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar bleef de minister bij zijn besluit. Eiser stelde beroep in, maar kon de zitting niet inhoudelijk bijwonen vanwege taalproblemen. De rechtbank schorste de behandeling en adviseerde eiser zich te laten bijstaan.

Eiser werd opnieuw uitgenodigd voor een zitting, maar verscheen niet. De gemachtigde van de minister meldde dat eiser op 17 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. Uit onderzoek bleek dat eiser niet meer verbleef in het asielzoekerscentrum en niet bereikbaar was. De rechtbank concludeerde dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep.

De rechtbank overwoog dat bij vertrek met onbekende bestemming het beroep alleen ontvankelijk blijft als er recent contact is dat het belang bevestigt. Dit was niet het geval. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) [1] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen eiser deelgenomen. Omdat ter zitting bleek dat eiser zowel het Nederlands als het Engels niet machtig was en een inhoudelijke behandeling van het beroep niet mogelijk was, heeft de rechtbank de behandeling van het beroep ter zitting geschorst.. De rechtbank heeft eiser, met behulp van een Russische sprekende collega, erop gewezen dat het raadzaam is dat hij zich laat vertegenwoordigen door een rechtshulpverlener en dat eiser opnieuw zal worden uitgenodigd om zijn beroep ter zitting toe te lichten.
1.3.
Eiser is zowel via aangetekende brief als een normale brief uitgenodigd voor de zitting van 2 maart 2026.
1.4.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op 2 maart 2026. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Overwegingen

2. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister, naar aanleiding van de afwezigheid van eiser ter zitting, het digitale systeem geraadpleegd en medegedeeld dat daaruit blijkt eiser op 17 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de hiervoor onder 2. genoemde mededeling van de gemachtigde van de minister. Dat eiser op 17 december 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken, lijkt in overeenstemming te zijn met de informatie die bij de rechtbank over eiser bekend is. In dit verband wijst de rechtbank erop dat eiser zowel door middel van een aangetekende brief als door middel van een gewone brief is uitgenodigd voor de zitting van 2 maart 2026. De aantekende brief is retour gekomen met een sticker op de enveloppe met de tekst “Geweigerd”. Uit telefonisch contact tussen de griffier van de rechtbank en de receptie van AZC Budel op 11 februari 2026 is gebleken, dat eiser daar niet langer verbleef en een ander adres van eiser niet bekend was. Nu eiser niet ter zitting is verschenen en de uitnodiging voor de zitting retour is gekomen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door de gemachtigde van de minister verstrekte mededeling dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [2]
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).