ECLI:NL:RBDHA:2026:7643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming na afwijzing tijdelijke bescherming
Eiser diende een aanvraag in voor verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, welke door de minister werd afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar bleef de minister bij zijn besluit. Eiser stelde beroep in, maar kon de zitting niet inhoudelijk bijwonen vanwege taalproblemen. De rechtbank schorste de behandeling en adviseerde eiser zich te laten bijstaan.
Eiser werd opnieuw uitgenodigd voor een zitting, maar verscheen niet. De gemachtigde van de minister meldde dat eiser op 17 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. Uit onderzoek bleek dat eiser niet meer verbleef in het asielzoekerscentrum en niet bereikbaar was. De rechtbank concludeerde dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep.
De rechtbank overwoog dat bij vertrek met onbekende bestemming het beroep alleen ontvankelijk blijft als er recent contact is dat het belang bevestigt. Dit was niet het geval. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.