AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak witwassen en veroordeling voor verboden wapenbezit met gevangenisstraf
De rechtbank Den Haag behandelde op 2 april 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van witwassen en verboden wapenbezit. Op 19 juli 2025 werd in de auto van verdachte een semi-automatisch pistool met munitie aangetroffen, evenals een geldbedrag van ongeveer €5.990,- in een sporttas met het paspoort van een ander. Daarnaast werd op 28 december 2022 een alarmpistool in zijn bezit vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het witwassen van het geldbedrag niet wettig en overtuigend was bewezen, mede omdat verdachte een concrete en verifieerbare verklaring gaf over de herkomst van het geld en het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze verklaring. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het witwassen.
Voor het bezit van het vuurwapen was de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust was van het wapen en feitelijke macht erover had, mede door het aantreffen van zijn DNA op het pistool. Ook het bezit van het alarmpistool werd bewezen verklaard. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd de geldboete voor het alarmpistool niet opgelegd. De inbeslaggenomen €5.990,- werd aan verdachte teruggegeven.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van witwassen en veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor verboden wapenbezit met aftrek van voorarrest.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/219470-25 en 10/072157-23 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 2 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] Rijn, locatie [locatie] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Vermeulen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. G.A.J. Purperhart, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De rechtbank heeft ter terechtzitting bevolen de voeging van de dagvaarding met parketnummer 09/219470-25 (hierna te noemen: dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 10/072157-23 (hierna te noemen: dagvaarding II).
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1 hij op of omstreeks 19 juli 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool, van het merk Zastava, type Mod. 70, kaliber 7.65 mm en/of bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad;
2 hij op of omstreeks 19 juli 2025, te ’s-Gravenhage een geldbedrag van ongeveer 5990 euro, althans een voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 juli 2025, te ’s-Gravenhage een geldbedrag van ongeveer 5990 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;
Dagvaarding II
hij op of omstreeks 28 december 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarm-pistool voorhanden heeft gehad.
3.De bewijsbeslissing
Dagvaarding II
3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2022404469, van de politie eenheid Rotterdam, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 41).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 december 2022 (p. 14-15);
3. Het proces-verbaal ‘onderzoek vuurwapen’, opgemaakt op 4 januari 2023 (‘wapenomschrijving 3’, p. 21-22).
Dagvaarding I
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het aan hem onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.4.
Vrijspraak van feit 2
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Tijdens een doorzoeking op 19 juli 2025 in de auto op naam van de verdachte is naast een vuurwapen en een bivakmuts ook een geldbedrag van € 5.990,- aangetroffen. Dit geld werd aangetroffen in een sporttas met daarin ook een paspoort van een ander dan de verdachte. Het geldbedrag bestond uit verschillende stapels met in totaal 400 biljetten van 10 en 20 euro.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de bewijsmiddelen valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen het aangetroffen geld en een bepaald misdrijf. De rechtbank is evenwel van oordeel dat nu het geldbedrag is aangetroffen onder bedenkelijke omstandigheden wel sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Die bedenkelijke omstandigheden bestaan uit het feit dat sprake is van een aanzienlijk geldbedrag in zeer veel kleine coupures dat is aangetroffen in een sporttas met het paspoort van een ander dan de verdachte in de kofferbak van een auto. In die auto lag op de grond voor de passagiersstoel een vuurwapen en ook is in de auto een bivakmuts aangetroffen.
De verdachte heeft tijdens zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 22 juli 2025 over de herkomst van het geld verklaard dat het eerlijk geld is en dat hij als gevolg van de toeslagenaffaire meerdere malen geld van de gemeente heeft gekregen. De verdachte heeft verklaard dat hij vaker geld heeft gepind en dat hij zijn geld liever cash dan op de bank bewaart. Uit het dossier blijkt dat de verdachte een afschrift van een betaalrekening op zijn naam aan de politie heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat op de rekening van de verdachte door de gemeente Nissewaard op 25 juli 2024 een geldbedrag van ruim € 12.000,- is gestort, waarna op verschillende momenten geldbedragen zijn opgenomen bij een geldautomaat. Ter terechtzitting van 19 maart 2026 is de verdachte bij die verklaring gebleven.
Hoewel de verklaring van de verdachte enige vraagtekens oproept, bijvoorbeeld over het tijdsbestek tussen de geldopnames en het aantreffen van het geld in de auto, en de manier en locatie van bewaren van het geld, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een verklaring over de herkomst van het geldbedrag heeft gegeven, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Het openbaar ministerie heeft zeer beperkt nader onderzoek verricht naar de door de verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geldbedrag. Dit onderzoek heeft enkel bestaan uit het opvragen van de transactiegegevens van de ING-bankrekening op naam van verdachte. Hieruit blijkt dat er € 118.149,84 binnenkomt en er € 118.420,19 uitgaat, maar niet blijkt over welke periode dit gaat of om wat voor bij- en afschrijvingen het gaat. Door het openbaar ministerie is geen onderzoek gedaan naar de mogelijke andere stortingen door de gemeente, naar het bekende legale inkomen van de verdachte dan wel naar bepaalde financiële patronen binnen de inkomsten en uitgaven van de verdachte. De rechtbank acht de resultaten van het door het openbaar ministerie verrichte nadere onderzoek dan ook onvoldoende om aan de hand daarvan de legale herkomst van het geldbedrag met voldoende mate van zekerheid te kunnen uitsluiten.
Dit betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het geld van misdrijf afkomstig is, zodat de verdachte van het aan hem onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025244059, van de politie eenheid Den Haag, district, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 65) en het aanvullend proces-verbaal met het nummer PL1500-2025244059, van de politie eenheid Den Haag, district, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 40).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 maart 2026, voor zover inhoudende:
De witte Audi waarin het vuurwapen is aangetroffen stond op mijn naam. Ik ben die avond met mijn auto naar het festival gekomen, heb de auto geparkeerd en ben uitgestapt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 54-56):
Op 19 juli 2025 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met noodhulp surveillance dienst. Ik bevond mij samen met verbalisant [verbalisant 2] op de Prinsessengracht te Den Haag. Ik zag dat er twee mannen stonden die meerdere keren mijn kant op keken en vervolgens weer snel wegkeken. Ik zag dat de mannen meermaals heen en weer liepen van een zwart voertuig en een wit gekleurd voertuig dat voor het zwarte voertuig geparkeerd stond. Aan het begin van mijn dienst kreeg ik een briefing waarin werd verteld dat vorig jaar tijdens het festival 7Fest diverse soorten wapens werden verstopt in voertuigen die geparkeerd stonden in de buurt van het festival. Ik zag dat het voertuig, met kenteken [kenteken] , donkergetinte achterramen had. Ik gebruikte een zaklamp om naar binnen te kijken. Ik zag dat er een bruin op een vuurwapen lijkend voorwerp uit stak onder de bijrijdersstoel.
3. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgemaakt op 20 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 33):
Inbeslagneming
Plaats : Prinsessegracht, ’s-Gravenhage
Datum en tijd : 19 juli 2025 te 21:29 uur
Omstandigheden : Vuurwapen in een voortuig, voorzien van kenteken
[kenteken] , aangetroffen.
Object : Vuurwapen
Merk/type : Zastava, Mod. 70
Kaliber : 7.65 mm
4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 20 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 12-13):
De eigenaar van het voertuig witte Audi met kenteken [kenteken] is [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [plaats 2] .
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door Team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven op 19 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 40-43):
Het vuurwapen, aangetroffen in een voertuig met kenteken [kenteken] is onderzocht. Soort wapen: semi-automatisch pistool Merk: Zastava Model: Mod. 70 Kaliber: 7.65 mm
Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro sub 3, gelet op artikel 2 lid 1 categoriePro III sub 1 van de Wet wapens en munitie.
SIN nummer: AAQW7184NL.
In het patroonmagazijn bevond zich 1 patroon, merk S&B, kaliber 7.65mm. De aangetroffen munitie kan met het in dit proces-verbaal genoemde vuurwapen worden verschoten.
De aangetroffen munitie is munitie in de zin van artikel 1 onderPro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categoriePro III van de Wet wapens en munitie.
6. Het proces-verbaal ‘vooronderzoek lab’, opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (aanvullend proces-verbaal, p. 21-22):
Sporendrager SIN: AAQW7184NL Object: vuurwapen Merk: Zastava Mod. 70 Kaliber: 7.65 mm.
Veiliggestelde sporen SIN: AATE2007NL Relatie met SIN: AAQW7184NL Plaats veiligstellen: Ribbels, randen en kleine onderdelen buitenkant pistool, inclusief rand onderaan magazijn.
7. Het deskundigenverslag, op 11 september 2025 opgemaakt en ondertekend door dr. P.J. Herbergs, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, voor zover inhoudende (aanvullend proces-verbaal, p. 26-29):
3.6.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen wetenschap van en beschikkingsmacht over het vuurwapen had. Hiertoe heeft de raadsman, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er geen relatie is tussen het vuurwapen en de verdachte, nu dit onder de bijrijdersstoel lag. Wat betreft het aantreffen van DNA van de verdachte op het vuurwapen kan sprake zijn geweest van contaminatie.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 vanPro de Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen en ook dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat in de auto die op naam stond van de verdachte en waarmee hij die avond naar Den Haag was gereden een geladen vuurwapen is aangetroffen. Het vuurwapen stak onder de bijrijdersstoel uit en was van buitenaf te zien. Op het vuurwapen is een DNA-mengprofiel aangetroffen afkomstig van minimaal drie donoren. Het DNA-hoofdprofiel is van de verdachte en de frequentie van voorkomen is kleiner dan één op één miljard.
De verdachte heeft enkel verklaard dat hij niets van het vuurwapen wist, dat hij met drie andere personen in de auto zat en dat hij die dag geen vuurwapen heeft aangeraakt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen. Door de raadsman, en niet door de verdachte zelf, is de mogelijkheid geopperd van contaminatie door een ‘handshake’ met de persoon die het wapen bij zich had maar naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee niet het aantreffen van een DNA-hoofdprofiel van de verdachte worden verklaard.
Gelet op de openlijk zichtbare plaats waar het vuurwapen is aangetroffen en het aantreffen van DNA van de verdachte op dat vuurwapen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het vuurwapen aanwezig heeft gehad en dat hij over dat wapen heeft kunnen beschikken. Dat maakt dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1.
hij op 19 juli 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool, van het merk Zastava, type Mod. 70, kaliber 7.65 mm en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II
hij op 28 december 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistoolvoorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5.De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6.De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en voorts dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zake van het bij dagvaarding II tenlastegelegde verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, subsidiair aan hem op te leggen een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar.
Ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht aan de verdachte op te leggen een straf gelijk aan de tijd doorgebracht in voorarrest, al dan niet voorzien van een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden enkel de algemene voorwaarde.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op 19 juli 2025 een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Dit geladen vuurwapen lag half onder de passagiersstoel in de auto van verdachte en hij had dit dus voorhanden op de openbare weg. Verboden wapenbezit brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij en individuele personen met zich, temeer omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Dit moet dan ook worden bestreden en bestraft. Ook heeft de verdachte op 28 december 2022 een alarmpistool voorhanden gehad.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
31 januari 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zijn leven goed op orde lijkt te hebben en op persoonlijk vlak ontwikkelingen heeft doorgemaakt (zoals het vinden van een baan, opleiding, huisvesting en een stabiele relatie) om dat te bereiken. Dit blijkt ook uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. Hij weet niet of hij nog terug kan naar zijn oude baan, maar hij heeft nog wel huisvesting en een relatie. Als hij uit detentie komt wil hij gelijk weer gaan werken om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
De rechtbank overweegt dat deze positieve ontwikkelingen op persoonlijk vlak kennelijk niet hebben kunnen voorkomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verboden wapenbezit.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij het op de openbare weg voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1 als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank ziet noch in strafverlagende zin, noch in strafverhogende zin, aanleiding om van voormeld uitgangspunt af te wijken. Ook voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Bij het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 4, zoals een alarmpistool, is als uitgangspunt vermeld een geldboete van € 650,-.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een geldboete van € 650,- in beginsel dan ook een passende en geboden reactie.
De rechtbank heeft geconstateerd dat in de zaak met dagvaarding II de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Op 28 december 2022 is de verdachte in deze zaak in verzekering gesteld. De rechtbank stelt vast dat vanaf deze datum de redelijke termijn is gaan lopen. Dit betekent dat de zaak op 28 december 2024 afgerond had moeten zijn. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. De rechtbank wijst vonnis op 2 april 2026. Dit maakt dat de redelijke termijn met ongeveer één jaar en vier maanden is overschreden. Gelet hierop zal de rechtbank afzien van het opleggen van voornoemde geldboete, zodat daarin de compensatie voor de overschrijding is gelegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet.
7.De inbeslaggenomen voorwerpen
7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde geldbedrag van € 5.990,- zal worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag aan de verdachte dient te worden teruggegeven.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde witwassen, en het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde geldbedrag van € 5.990,-
8.De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9.De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder
1 tenlastegelegde feit en het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van dagvaarding II:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 5.990,-.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. M. Bruins, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.