3.3.Vrijspraak medeplegen gewapende overval en oplichting
Ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2 (medeplegen gewapende overval)
Feiten
Op 9 december 2020 heeft tussen 22.00 uur en 22.15 uur een overval plaatsgevonden op filiaal Het Kleine Loo van de Albert Heijn. Om 21:45 uur, kort voor sluitingstijd, is een gemaskerd persoon de Albert Heijn binnengelopen. Hij heeft zich verstopt in de koelcel, die zich bevond in een gedeelte van de winkel dat uitsluitend is bestemd voor personeel. Deze koelcel is direct gelegen tegenover de deur van de kluiskamer.
Twee Albert Heijn-medewerkers, namelijk de verdachte en haar collega [naam 1] , gingen vlak daarna vanuit de winkelruimte de kluisruimte binnen en begonnen daar met de zogeheten kluisprocedure. Ongeveer 15 seconden nadat de verdachte en [naam 1] in de kluiskamer kwamen, is de overvaller uit de koelcel gekomen, om vervolgens gehurkt voor de deur van de kluisruimte te gaan zitten en op de deur van de kluisruimte te kloppen. De verdachte liep naar de deur, keek door het kijkgaatje en deed de deur open. Direct liep de overvaller met een getrokken mes de kluiskamer binnen, en liet de verdachte en [naam 1] de kluis openen. [naam 1] moest in de hoek met haar gezicht naar de muur gaan staan en haar telefoon afgeven. De verdachte moest ook haar telefoon afgeven en moest twee tassen vullen met een deel van de inhoud van de kluis. Het betrof geld (€ 5.600,- aan papiergeld en € 6.600,- aan muntgeld) en (koop)zegels, ter waarde van ongeveer € 9.500,-. De verdachte en later ook [naam 1] hielpen met het tillen van de tassen - die voor de overvaller te zwaar bleken te zijn - naar de uitgang. Daarna is de overvaller met de buit (waarvan enkele zegelrollen op de parkeerplaats zijn teruggevonden) vertrokken.
Rol van de verdachte
In deze zaak zijn meerdere verdachten aangehouden: [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), die ervan verdacht is de overvaller te zijn geweest, de verdachte ( [de verdachte] ), die toentertijd zijn vriendin was, en een aantal personen die zegels, kennelijk afkomstig van de overval, hebben verzilverd of hebben geprobeerd dat te doen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte aangemerkt kan worden als medepleger van de overval op het filiaal Het Kleine Loo van Albert Heijn en van de afpersing van de telefoon van [naam 1] , in Den Haag op 9 december 2020.
Het scenario dat moet worden onderzocht is of de verdachte als insider de overvaller heeft geholpen bij de voorbereiding en de uitvoering van die overval. Die overvaller is mogelijk haar vriend [medeverdachte] geweest. Een ander scenario is dat waarin [medeverdachte] niet de overvaller is geweest, maar als medepleger met de overvaller heeft samengewerkt.
In beide scenario’s zou de verdachte in de voorbereiding van de overval inlichtingen hebben verschaft - aan of via [medeverdachte] - en bij de uitvoering van de overval hebben geholpen.
De betrokkenheid van de verdachte bij de overval zou volgens de politie blijken uit het volgende:
Uit de telefoon van de verdachte blijkt dat zij daags na de overval op haar telefoon naar informatie over Albert Heijn-koopzegels heeft gezocht. Zij heeft vóór de overval haar werkrooster met [medeverdachte] gedeeld.
Ook was het volgens de politie opvallend dat op de camerabeelden te zien is dat [medeverdachte] bukte toen hij op de deur van de kluisruimte klopte, dat de verdachte vervolgens wel door het kijkgaatje keek, maar dat zij, zonder dat zij iemand voor de deur kon zien staan, meteen de deur heeft geopend. Ook zou de verdachte volgens de beelden ogenschijnlijk rustig met de overvaller hebben overlegd, toen bleek dat de tassen te zwaar waren. Ze keken elkaar daarbij aan, wat er bovendien op kunnen wijzen dat de overvaller niet bang was voor herkenning, omdat zij elkaar al kenden.
Het gedrag van de verdachte nadien bij de uitgang van de supermarkt zou erop wijzen dat zij aan het controleren was of de overvaller inmiddels echt weg was, voordat zij hulp ging halen. Dat past niet bij iemand die zojuist met een mes is bedreigd, aldus de politie.
Ook heeft de verdachte in haar verhoor bij de politie in 2023 gezegd dat zij na de overval van [medeverdachte] had gehoord dat ‘hij het was’.
Vrijspraak [medeverdachte] en gevolgen voor deze zaak
Beide genoemde scenario’s, waarin de verdachte [medeverdachte] (of een medepleger van [medeverdachte] ) zou hebben geholpen bij de overval, zijn op losse schroeven komen te staan door de vrijspraak van [medeverdachte] als (mede)pleger van de overval, eerst door de rechtbank (op 6 augustus 2021), en later door het gerechtshof (op 8 april 2025). De laatste vrijspraak is onherroepelijk en brengt mee dat de rechtbank ook in de zaak van de verdachte van de onschuld van [medeverdachte] heeft uit te gaan (vgl. EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10, Melo Tadeu v. Portugal, AB 2016/69). In haar oordeel mag de rechtbank dus niet van de mogelijkheid uitgaan dat [medeverdachte] wel (mede)pleger was.
Bewijs tegen de verdachte, uitgaande van onschuld [medeverdachte]
Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte de overvaller hielp, als ervan moet worden uitgegaan dat [medeverdachte] niet de overvaller is. De aanwijzingen die wijzen op de betrokkenheid van de verdachte (en die niet wijzen in de richting van [medeverdachte] ) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om die betrokkenheid buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen.
Het gedrag van de verdachte, zoals zichtbaar op de beelden, is daartoe niet voldoende. Opvallend is dat zij wel door het kijkgaatje van de kluiskamer kijkt, maar vervolgens de deur van de kluisruimte opent, terwijl zij niet had kunnen zien wie zich aan de andere kant van die deur bevond. Dit lijkt onlogisch, maar kan ook voortkomen uit nalatigheid. De rechtbank kan bovendien niet vaststellen of zij zich op dat moment moest houden aan specifieke instructies op dit punt. Het feit dat de verdachte zich (anders dan [naam 1] ) niet met haar gezicht van de verdachte hoefde af te wenden, en dat juist zij werd uitgekozen om de verdachte te helpen, kan wijzen op haar betrokkenheid maar kan ook komen doordat de overvaller toevallig haar, en niet [naam 1] , als eerste aantrof na het openen van de deur.
Het na de overval zoeken naar informatie over koopzegels past in het (hierna te bespreken) witwassen van een deel van de opbrengst, maar is slechts een beperkte bevestiging van het scenario dat zij ook aan de overval heeft meegewerkt.
Conclusie
Met het wegvallen van de betrokkenheid van [medeverdachte] heeft de rechtbank te oordelen of de vraag of een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een onbekend gebleven overvaller bestond. De rechtbank overweegt, alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, dat de overvaller met voorkennis moet hebben gehandeld en dat er ook aanwijzingen zijn dat de verdachte bij de overval is betrokken. Maar hoewel de hiervoor besproken handelingen van de verdachte zonder meer de nodige vraagtekens oproepen en te denken geven, zijn deze onvoldoende om een concreet plan tussen de onbekende overvaller en de verdachte te kunnen vaststellen. Ook andere in het dossier genoemde feiten en omstandigheden bieden onvoldoende steun voor die vaststelling.
Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken voor het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van dagvaarding II (oplichting Schadefonds Geweldsmisdrijven )
Aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de overval op de Albert Heijn, zal de rechtbank de verdachte ook vrijspreken van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. Immers, nu strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de overval niet kan worden vastgesteld, kan evenmin worden vastgesteld dat zij geen slachtoffer van de overval was en het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft opgelicht door zich niettemin als slachtoffer van de overval voor te doen.