Eiser, een Ugandees lid van de National Unity Platform (NUP), verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn politieke activiteiten en lidmaatschap van de NUP in Uganda werd gemarteld, bedreigd en dat zijn ouders werden ontvoerd. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat de problemen ongeloofwaardig waren en dat eiser geen reëel risico liep bij terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen vanwege zijn lidmaatschap van de NUP in twijfel kon trekken, onder meer vanwege onduidelijke en ongerijmde verklaringen over bedreigingen, ontvoering en uitreis. De rechtbank vond echter dat de politieke overtuiging van eiser niet marginaal was en dat verweerder dit onvoldoende had gemotiveerd.
Desondanks concludeerde de rechtbank dat, ook bij een niet-marginale politieke overtuiging, eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij als vluchteling kon worden aangemerkt of dat hij een reëel risico op ernstige schade liep bij terugkeer naar Uganda. De afwijzing van de asielaanvraag bleef daarom in stand. De rechtbank wees het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.