Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
26.15201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

De minister heeft op 4 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde. Dit beroep werd tevens gezien als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 maart 2026 gesloten zonder zitting.

Eiser voerde aan dat hij uit angst voor de Nigeriaanse autoriteiten niet op een geplande presentatie verscheen en dat er nog procedures liepen over zijn asielaanvraag en artikel 64-procedure. Hij stelde dat de maatregel van bewaring hem zwaar viel vanwege medische klachten en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het vorige onderzoek rechtmatig was en dat sindsdien de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door rappelleren bij Nigeriaanse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken. De rechtbank zag geen reden om een lichter middel toe te passen en vond het BMA-advies niet doorslaggevend omdat medische zorg in detentie beschikbaar is.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het vorige onderzoek rechtmatig is gebleven en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15201

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Dit beroep moet ook worden gezien als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Op 23 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser aanvullende gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 24 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

Standpunten eiser
2. Eiser stelt dat hij uit angst voor de Nigeriaanse autoriteiten niet op de geplande presentatie is verschenen. Bovendien loopt er nog hoger beroep over zijn asielaanvraag, en moet er nog een beslissing worden genomen in de artikel 64-procedure. Omdat de minister eiser niet zal uitzetten tot er in deze procedures is beslist, is er volgens eiser geen zicht op uitzetting. Ook heeft eiser een advies van BMA overgelegd waaruit volgt dat zijn uitzetting wegens medische redenen begeleid moet plaatsvinden. Onduidelijk is of dit al is geregeld en dat roept volgens eiser vragen op over de voortvarendheid. Eiser heeft namelijk pijnklachten en psychische klachten, waardoor de maatregel van bewaring hem zwaar valt. Om deze redenen is eiser van mening dat een lichter middel, zoals een meldplicht, gepast is.
Beoordeling rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 februari 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 20 februari 2026.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Nigeriaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Nigeriaanse autoriteiten.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 12 maart 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat op 9 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast was op 6 maart 2026 een presentatie gepland, maar daarbij is eiser niet verschenen. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld of op individueel niveau had moeten rappelleren.
5.2.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 3. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Het door eiser overgelegde BMA-advies doet hier niet aan af, omdat dit ziet op de overdracht. Gedurende het verblijf van eiser in bewaring kan hij zich zo nodig wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor hem ontoereikend zijn.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [5]

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.NL26.7346.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).
5.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647).