ECLI:NL:RBDHA:2026:7266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
C/09/700142 / KG RK 26/322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die betrokken was bij een zaak over het ontslag van haar bewindvoerder en haar klachten tegen deze bewindvoerder. Verzoekster stelde dat de kantonrechter niet onpartijdig was omdat hij voorafgaand aan de zitting informatie van de bewindvoerder zou hebben ontvangen en omdat zij tijdens de zitting geen gelegenheid kreeg haar klachten toe te lichten, terwijl zij dit wel had verwacht op basis van een e-mail van de rechtbank.

De wrakingskamer onderzocht het dossier en concludeerde dat het begrijpelijk was dat verzoekster dacht dat haar klachten besproken zouden worden, maar dat dit niet leidde tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De kantonrechter had tijdens de zitting duidelijk uitgelegd waarom de klachten niet werden besproken en verwees naar de juiste route voor beoordeling daarvan.

Verder bleek uit het dossier dat er geen contact was geweest tussen de kantonrechter en de bewindvoerder voorafgaand aan de zitting, behalve administratieve e-mailuitwisseling. De wrakingskamer oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de onpartijdigheid van de kantonrechter in twijfel konden trekken.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/14
zaak- /rekestnummer: C/09/700142 / KG RK 26/322
Beslissing van 30 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. M. Nijenhuis,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het e-mailbericht van verzoekster van 5 januari 2026;
- het e-mailbericht van de administratie kanton van 3 februari 2026;
- het proces-verbaal van de zitting van 12 februari 2026;
- het schriftelijke verzoek tot wraking van 15 februari 2026;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter (niet gedateerd).
1.2.
Op 16 maart 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoekster,
- [naam] vanuit Samen Sterk Utrecht (bewindvoerder van verzoekster), de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder (via een online verbinding).
De kantonrechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummers 11951598 EJ 25-83356 en NL:TZ:0000264581:B001 / BM10297 tussen verzoekster en de wederpartij. Voornoemde zaak gaat over het verzoek van de wederpartij tot haar ontslag als bewindvoerder en over de klachten van verzoekster over de wederpartij.
2.2.
Verzoekster heeft de kantonrechter gewraakt per schriftelijk wrakingsverzoek van 15 februari 2026 en dit verzoek ter zitting mondeling toegelicht. Verzoekster heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de kantonrechter voorafgaand aan de zitting van 12 februari 2026 informatie heeft ontvangen van de bewindvoerder, althans dat zij het gevoel had dat dat zo was, waardoor de kantonrechter niet onafhankelijk meer naar de zaak kon kijken. Daarnaast heeft verzoekster op 3 februari 2026 een e-mailbericht ontvangen van de rechtbank met daarin een oproep en een uitleg over waar de zitting over zou gaan. Volgens het e-mailbericht zou de zitting gaan over drie onderwerpen, namelijk het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder, de uren van de bewindvoerder en de klachten van verzoekster. De rechtbank heeft gevraagd het standpunt over de uren van de bewindvoerder en de klachten van verzoekster voorafgaand aan de zitting op papier te zetten, zodat hierover een beslissing genomen kon worden. Verzoekster heeft haar klachtenbrief ter zitting echter niet nader kunnen toelichten of overleggen, terwijl zij op basis van het e-mailbericht van 3 februari 2026 in de veronderstelling was dat deze tijdens de zitting zou worden besproken. Het voorgaande maakt dat de kantonrechter volgens verzoekster niet onpartijdig is.
2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De wrakingskamer stelt op basis van het dossier vast dat de bewindvoerder een verzoek tot haar ontslag als bewindvoerder heeft gedaan. Verzoekster heeft daarover op
5 januari 2026 een uitvoerig e-mailbericht naar de rechtbank gestuurd en daarin aangegeven dat zij haar klachten over de bewindvoerder eerst wil bespreken en dat daarom het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder nog niet in behandeling genomen dient te worden. Vervolgens is door de rechtbank op 3 februari 2026 een oproep gestuurd aan verzoekster waarin is aangegeven dat ook de inhoud van het e-mailbericht van 5 januari 2026 zal worden besproken ter zitting van 12 februari 2026. Uiteindelijk heeft op 12 februari 2026 een zitting plaatsgevonden waar de kantonrechter is gewraakt, omdat verzoekster stelt geen ruimte te hebben gekregen om haar klachten over de bewindvoerder nader toe te lichten.
3.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat het op basis van voornoemde e-mailberichten begrijpelijk is dat verzoekster in de veronderstelling was dat op de zitting van 12 februari 2026 ook haar klachten zouden worden besproken. In het e-mailbericht van 3 februari 2026 van de rechtbank staat immers dat ‘de zitting van 12 februari 2026 door de kantonrechter is bepaald naar aanleiding van het verzoek van uw bewindvoerder en uw reactie van 5 januari 2026 daarop’. Het feit dat de kantonrechter ter zitting geen gelegenheid heeft gegeven om de klachten te bespreken, brengt echter niet mee dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de kantonrechter ter zitting duidelijk heeft uitgelegd waarom hij de klachten van verzoekster niet bespreekt en dat hij heeft aangegeven wat de route is om die klachten te laten beoordelen door de juiste instantie.
3.3.
Verder merkt de wrakingskamer op dat uit het dossier niet blijkt dat de kantonrechter voorafgaand aan de zitting contact heeft gehad met de bewindvoerder. Er zijn slechts e-mailberichten gestuurd tussen de administratie van de rechtbank en de bewindvoerder over de afwezigheid van de bewindvoerder bij de zitting van 12 februari 2026. Daarbij is afgesproken dat de kantonrechter de bewindvoerder tijdens de zitting zo nodig zou kunnen bellen voor eventuele vragen. Dit heeft de kantonrechter aan het begin van de zitting ook uitgelegd aan verzoekster, zoals blijkt uit het proces-verbaal van
12 februari 2026.
3.4.
De wrakingskamer zal gelet op het voorgaande het wrakingsverzoek afwijzen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de onder 2.1. genoemde zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
  • de verzoekster;
  • de kantonrechter;
  • [naam] , de wederpartij in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Kelkensberg, E.E. Schotte en M.F. Baaij, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M.C. Mulders, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.