Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7264

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL25.44995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vw 2000Art. 43 Vw 2000Art. 31 lid 4 ProcedurerichtlijnArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te vroege ingebrekestelling bij besluitmoratorium Syrië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister een besluitmoratorium voor Syrische vreemdelingen heeft ingesteld, waardoor de beslistermijn van zes maanden is verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden.

Eiser betoogde dat de verlenging slechts zes maanden bedroeg, omdat het moratorium na zes maanden zou zijn ingetrokken, en dat de verlenging van twaalf maanden geen wettelijke grondslag zou hebben. De minister stelde dat de verlenging wel degelijk een jaar bedroeg, waardoor de ingebrekestelling van eiser prematuur was en het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is om de juistheid van artikel 2 van Pro het Besluit te toetsen, maar overwoog ook inhoudelijk dat het onderscheid tussen de geldigheidsduur van het moratorium en de verlenging van de beslistermijn terecht is gemaakt. Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de mededelingen in het advocatenportaal en publicaties slechts indicatief waren en geen ondubbelzinnige toezegging inhielden.

Daarom is de ingebrekestelling te vroeg ingediend en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een te vroeg ingediende ingebrekestelling door de verlenging van de beslistermijn met een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. N.N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft de minister op 23 oktober 2025 vragen gesteld. Deze vragen heeft de minister op 20 november 2025 beantwoord.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Met welke duur verlengt het besluitmoratorium de beslistermijn?
3. De aanvraag is, gelet op de loopbrief, in ontvangst genomen op 29 april 2024. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. [2] Dit betekent dat deze beslistermijn van zes maanden is geëindigd op 29 oktober 2024.
3.1.
Voor vreemdelingen uit Syrië heeft de minister echter een besluitmoratorium ingesteld. Dit besluitmoratorium is op 14 december 2024 door plaatsing in de Staatscourant in werking getreden. [3] Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van Pro het Besluit tot instelling van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (Besluit) genoemde categorieën, die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium. Partijen hebben dit ook niet gesteld en in het dossier zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden.
3.2.
Ten tijde van de inwerkingtreding van het besluitmoratorium was, hoewel de termijn van zes maanden al was verstreken, nog niet beslist op de asielaanvraag van eiser. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van Pro de Vw 2000 is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvan de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. [4]
3.3.
Gelet op het voorgaande is het besluitmoratorium op eiser van toepassing. In geschil is echter met welke termijn de beslistermijn door dit besluitmoratorium is verlengd.
3.3.1.
Eiser betoogt dat het besluitmoratorium de beslistermijn slechts met zes maanden heeft verlengd, omdat het besluitmoratorium na zes maanden (per 14 juni 2025) is ingetrokken. De termijn van één jaar uit het Besluit is niet onderbouwd of gemotiveerd. Volgens eiser volgt uit artikel 43 van Pro de Vw 2000 en het daaraan ten grondslag liggende artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn dat een verlenging alleen gerechtvaardigd is voor de periode van onzekerheid in het land van herkomst. Die periode bedroeg in dit geval zes maanden. Een verlenging van de beslistermijn met twaalf maanden mist daarom volgens eiser een wettelijke grondslag en is in strijd met de Vw 2000 en de Procedurerichtlijn.
3.3.2.
De minister stelt dat uit het Besluit volgt dat het besluitmoratorium de beslistermijn met een jaar heeft verlengd. Dit betekent volgens de minister dat de beslistermijn is geëindigd op 30 oktober 2025. De ingebrekestelling van 1 september 2025 is daarom prematuur ingediend en niet geldig. Het beroep is daarom volgens de minister niet-ontvankelijk.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat artikel 2 van Pro het Besluit bepaalt met welke termijn het besluitmoratorium de beslistermijn verlengt. Op grond daarvan wordt de in artikel 42 van Pro de Vw 2000 genoemde beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen van Syrische vreemdelingen verlengd met één jaar, tot maximaal eenentwintig maanden. Het betoog van eiser dat de beslistermijn niet met een jaar is verlengd, komt in essentie neer op een betwisting van de juistheid van artikel 2 van Pro het Besluit. De rechtbank is echter, gelet op artikel 8:6 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 2 van Pro de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, niet bevoegd daarover te oordelen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het betoog ook niet slaagt. De minister stelt namelijk terecht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de geldigheidsduur van het besluitmoratorium van zes maanden (artikel 1 van Pro het Besluit) en de verlenging van de beslistermijn (artikel 2 van Pro het Besluit). Dit onderscheid volgt ook uit de memorie van toelichting bij de Vw 2000. [5] Het ligt ook niet voor de hand de beslistermijn te laten aansluiten bij de duur van het besluitmoratorium: de minister moet na het eindigen van het moratorium de nodige tijd gegund worden om over te gaan tot besluitvorming, ook omdat nieuw landenbeleid moet worden geformuleerd. Dat de minister voor asielaanvragen waarop het besluitmoratorium van toepassing is de beslistermijn met een jaar heeft verlengd, is ook niet in strijd met artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. De omstandigheid dat in laatstgenoemde bepaling wordt gesproken over het uitstellen van het afronden van de onderzoeksprocedure in plaats van het verlengen van de beslistermijn leidt niet tot die conclusie. De beroepsgrond slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
4. Eiser betoogt dat de minister zelf uitgaat van een verlenging van de beslistermijn met zes maanden. Dit blijkt volgens eiser uit informatie in het IND-portaal voor advocaten, waarin voor zijn zaak een beslistermijn tot 29 april 2025 staat vermeld. Eiser heeft een screenshot overgelegd van deze mededeling uit het Advocatenportaal. Volgens eiser mocht hij op deze mededeling vertrouwen. Ook blijkt dit uit een publicatie in de UPdate [6] van VluchtelingenWerk Nederland.
4.1.
Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen als sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. [7] Daarvan is hier geen sprake. In de mededeling in het Advocatenportaal staat: ‘de beoordeling […] wordt verwacht uiterlijk op 29 april 2025’. De rechtbank begrijpt dit, ook gelet op de toelichting van de minister op zitting, als een indicatie van de verwachte beslistermijn en niet als een ondubbelzinnige toezegging dat de beslistermijn met slechts zes maanden is verlengd. De minister heeft toegelicht dat de mededeling in de UPdate – dat uit navraag bij de IND is gebleken dat een beslistermijn van twaalf maanden wordt aangehouden – ook op die manier moet worden begrepen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Door het besluitmoratorium is de beslistermijn tot 29 oktober 2025 verlengd. De ingebrekestelling is eerder dan deze datum en dus te vroeg ingediend. Daarom is geen sprake van een geldige ingebrekestelling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Vanaf 16 juni 2025 is de categoriale verlenging van de beslistermijn van alle zaken vanaf 1 januari 2024 ingetrokken. Dit betreft alle zaken die zijn verlengd op basis van WBV 2023/26 en WBV 2025/4. Voor deze zaken geldt dus de standaard beslistermijn van zes maanden. Dit volgt uit Informatiebericht 2025/28.
3.Artikel 5 van Pro het Besluit.
4.TK 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en TK 1998 – 1999, 26 732, nr. 7, p. 175 en 176.
5.TK 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49. Hierin staat: ‘De periode waarin het moratorium van kracht is moet worden onderscheiden van het tijdstip waarop de (verlengde) beslistermijn van de individuele aanvraag eindigt. Als het moratorium bijvoorbeeld geldt van 1 januari tot en met 1 juli 2000,
6.UPdate 2025, nr. 34.
7.ABRvS 16 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2878.