Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 12 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder het ‘8+8 wekenmodel’, bepaalt de rechtbank dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is. Daarom legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen.
Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100 per dag betalen, met een maximum van € 15.000. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.